Mijn eerste wapenstilstand

Mijn grootmoeder langs vaderszijde was geboren en getogen in Laarne. En zoals alle mensen uit Laarne die ik ken, was zij daar apetrots op, op “haar Laarne”. Toen ze met mijn grootvader trouwde, kwam ze bij hem inwonen in Heusden. Maar was het heimwee of de wens om verder bij haar schoonouders vandaan te wonen, dat weet ik niet. Feit is dat ze na de geboorte van mijn vader naar Laarne verhuisden.

Als ik de verhalen van mijn grootmoeder mag geloven, beleefde het gezin hoogdagen tijdens die jaren in Laarne, ondanks de depressie van de jaren 30 en de zware oorlogsjaren die daarop volgden. Moeilijke jaren vol angst, honger en onzekerheid met twee jonge kinderen en grootvader die opgeëist was door “den Duits”. Maar het was miserie die ook was doorspekt met veel gelukkige momenten en menselijke verbondenheid.

Toen ik geboren werd woonden mijn grootouders al enkele jaren terug in Heusden. Maar ik herinner me de vele koffiekransjes die mijn grootmoeder hield met haar bezoek uit Laarne. Koffiekransjes waarop meer jenever werd gedronken dan koffie … ik mocht als jong kind mee proeven van de dotskes: zelf bereide citroenjenever. Onvoorstelbaar dat grootouders toen met de beste bedoelingen hun kleinkinderen een glaasje alcohol aanboden. Geen haan die er naar kraaide, niemand die er aanstoot aan nam. Ik was een stil en schuchter kind, maar het schijnt dat ik volledig loskwam na één teugje van de dots te hebben gedronken. Daar herinner ik mij niets van.

Meet verliet niet graag haar huis, ze ontving liever elke dag gasten dan dat ze één keer op bezoek moest gaan. Enkel naar Laarne ging ze af en toe, te voet. En meestal mocht ik dan met haar mee, we stapten langs de verlaten sporen waar kort daarvoor nog de oude tram reed, recht naar Laarne! Op bezoek bij Gusta en Armand, bij “meetjen Rome” (met wie haar vader een relatie had nadat hij weduwnaar was geworden), bij Sule (zo noemde ze haar neef Achiel) of zijn zus Jeanne, bij haar nicht Mietje en nog vele anderen wiens naam en wiens bestaan ik ondertussen ben vergeten.

Het was in de tijd dat kinderen nog stil op een stoel moesten blijven zitten terwijl de grote mensen praatten. Als je geluk had, vroeg de gastvrouw of je dorst had of kreeg je een koekje, dat je enkel mocht aannemen nadat meet discreet van ja had geknikt. Sporadisch kreeg ik ook daar een druppeltje dots. Achteraf bekeken is het een wonder dat ik daaraan geen alcoholprobleem heb overgehouden.

Eén namiddag herinner ik me nog als was het gisteren. Op een 11 november, ik denk in 1963, mocht ik terug mee naar Laarne, bij een vriendin waar we volgens mij maar één keer op bezoek zijn gegaan. Onderweg kwamen we overal in het dorp mannen tegen in uniform of in strak kostuum, met veel medailles op de revers. Aan de kerk stond een trompettist (bugel, klaroen, trompet, cornet?) die een taptoe speelde waar mijn meetje de volgende woorden op zong: “kom ne keer buiten, kom ne keer buiten, kom ne keer bui-ten!” De mannen in uniform gingen keurig in de houding staan bij de trompettist en bleven daar zo een hele tijd ingetogen staan mijmeren.

Terwijl we bij de vriendin aan de koffietafel zaten, hoorden we om de zoveel tijd (om het uur?) hetzelfde trompetgeschal en gingen we aan de voordeur staan kijken hoe de oud-strijders uit verschillende huizen naar buiten kwamen en in de richting van het dorpsplein stapten. Het was een hele ceremonie, een hele namiddag lang. Zoiets heb ik later nooit meer meegemaakt. En het moet een diepe indruk op mij hebben achtergelaten, want ongetwijfeld is daar het zaadje ontkiemd van mijn latere interesse in beide wereldoorlogen.

Het was de eerste herdenking van wapenstilstand die ik bewust meemaakte, als zesjarige. Zo is nu elke 11 november voor mij een stille herdenking van mijn meet en haar Laarne.

(op de foto: mijn grootouders langs vaderszijde op hun gouden huwelijksjubileum)

Mijn zoon, mijn monster – Ingrid Verhelst en Herman Van Nazareth

Ik had het voorrecht Ingrid Verhelst te leren kennen bij een schrijfoefening tijdens de eerste lockdown in maart: een online project waarbij elke deelnemer een rol kreeg toebedeeld en een korte situatieschets. Niemand wist wie zijn tegenspelers waren, pas toen het project ten einde liep, maakten we kennis met elkaar in een – met dank aan corona – zoomsessie.

Het verhaal (de briefromance) kwam tot stand door de brieven/mails die de deelnemers naar elkaar stuurden, al dan niet getriggerd door hints of beeldmateriaal dat ‘De Grote Manipulator’ ons sporadisch bezorgde. Tijdens deze workshop werd het me al overduidelijk dat Ingrid met een meer dan gezonde portie fantasie haar leven kruidt.

Vandaag, 8 november, zou ik coronaproof de voorstelling van haar nieuwste boek “Mijn zoon, mijn monster” bijwonen. Maar het mocht niet zijn, enerzijds wegens de tweede lockdown en anderzijds omdat ik zelf momenteel al twee weken in quarantaine thuis zit omdat het virus mij in zijn ziekmakende greep vasthoudt.

Niet enkel voedsel, maar ook leesvoer wordt hier de laatste weken online besteld en aan de voordeur gedropt. En deze week zat daar “Mijn zoon, mijn monster” tussen. Wauw!

Wauw! Omdat het verhaal vernieuwend en origineel is. Wat een kanjer, die Irma! Soms besluipt me de vraag of zij dit effectief allemaal meemaakt, dan wel enkel in haar fantasie. Maar dat heeft geen belang, Irma is een dame van vijfentachtig die heel wat in haar mars heeft, en nog méér in haar onuitputtelijke brein. Zo willen we allemaal oud worden. Alhoewel?

Wauw! Hoe de auteur met een minimum aan woorden een maximum aan informatie geeft. Of minstens de aanzet tot informatie. Maak er maar je eigen verhaal van, of dacht je dat het je allemaal op een presenteerblaadje zou worden voorgeschoteld? Niet bij Ingrid Verhelst, bij haar is lezen niet vrijblijvend, je moet mee fantaseren, je inleven in haar verhaal of liever: dat van Irma.

De kern van dat verhaal: dat je niemand ooit echt kent, ook niet na een leven lang een koppel te zijn geweest. Zelfs je eigen vlees en bloed ken je niet, herken je niet. Je buren ook niet. Ken jij jezelf wel? Of schrik je soms ook als je in de spiegel kijkt? Of als je op de klok kijkt?

Wauw! Voor de stijl. Sprankelend taalgebruik, soms sober (tijdsaanduiding!), soms met volzinnen, maar altijd met de juiste bewoordingen. Rake visuele beschrijvingen. Tegelijk poëtisch en snoeihard. Doorspekt met humor (al dan niet zwart). Een onnavolgbare stijl die je naar de keel of naar het hart grijpt.

Wauw! Voor de illustraties van Herman Van Nazareth die op een sublieme manier aansluiten bij het verhaal van Irma, zeker ook qua kleurenpallet. Mijn excuses aan de schilder, maar bij lectuur van het boek vergat ik compleet dat de schilderijen van zijn hand waren, ik werd zo opgeslorpt door het verhaal dat ik werkelijk geloofde dat Irma deze had gemaakt. Zij is er immers van overtuigd dat ze een tweede, maar vrouwelijke Permeke is en ze heeft me in die overtuiging meegesleept.

De tentoonstelling van Hermans werken (in Huis Huis, Burgstraat 12, Gent) loopt trouwens nog tot eind maart 2021.

Het boek opent met een citaat van Constant Permeke:

‘Ik schilder niet zooals ik zie,
maar zooals ik meen gezien te hebben.’

Dit adagium heeft Irma zich ook eigen gemaakt, zowel in haar schilderijen als in haar ongelooflijk boeiende levensverhaal. Zowel in realiteit als in haar dromen. Maar nooit vrijblijvend.

Ik heb covid-19

De menselijke hersenen zijn geprogrammeerd om te reageren op gevaren die we met onze zintuigen kunnen vaststellen. Een loslopend wild dier, een brandgeur, een gewapende vijand, stormwinden en overstromingen … Wat we niet kunnen zien of rechtstreeks voelen, herkennen onze hersenen dan ook niet meteen als gevaarlijk.

Wellicht daarom dat covid-19 voor velen een ver van hun bed show is – of was. Tot iemand in hun omgeving ziek wordt of aan covid overlijdt. Of tot zij zelf aan den lijve ondervinden hoe ziek je er kan van zijn.

De “helden” (à la Trump) die verklaren dat het maar een griepje is en dat zij er op een paar dagen van genezen waren zouden er beter aan doen daar niet openbaar mee te lopen pronken. Hun cynisme is een doorn in het oog van de vele mensen die wel doodziek zijn, en al dan niet in het ziekenhuis zijn opgenomen. Akkoord, de ene is er zieker van dan de andere, want er spelen veel factoren mee, zoals leeftijd en medische antecedenten. Maar het is in geen geval een lachtertje!

Met corona is het als met de lotto: je moet twee keer geluk hebben. Met de lotto moet je de juiste cijfercombinatie gekozen hebben én je moet geluk hebben dat er een grote pot te verdelen valt over zo weinig mogelijk mensen. Met corona moet je geluk hebben van niet besmet te raken en als dat toch gebeurt, moet je het geluk hebben dat je een milde variant van het virus hebt en geen onderliggende aandoeningen die voor complicaties kunnen zorgen.

Over de lotto heb ik weinig te melden, maar over covid-19 mag ik wel mijn gedacht zeggen, nu ik aan den lijve heb ondervonden wat het virus met je doet.

En ja, ik had geluk! Ik testte positief maar diende niet te worden opgenomen. Waar ik het opliep, is een groot raadsel want we hadden de laatste weken onze contacten al beperkt tot het minimum omdat Ronny een zware verkoudheid had gehad (en ik dacht dat hij toen vatbaarder zou zijn), we zijn niet meer bij mijn ouders op bezoek geweest, de kleinkinderen niet meer gezien. En de weinige contacten die ik toch had, verliepen allemaal coronaproof.

Wie zal het zeggen … Het virus laat zich niet zien en meldt zich niet op voorhand aan!

Ruim een week na de eerste symptomen ben ik nog aan het uitzieken, de extreme vermoeidheid en de druk op mijn longen worden voorlopig niet beter. Wat me vooral bezighoudt is de schrik dat familie en vrienden ook ziek worden. We zitten als het ware gebarricadeerd in ons appartementje. En dat zal nog voor lange tijd zo zijn, want ondertussen werd lockdown 2.0 ingevoerd.

Wat een geluk dat we televisie en sociale media hebben. Alhoewel … wat daar wordt getoond is soms hemeltergend. Mensen die net vóór de lockdown nog in grote massa’s gaan samentroepen in winkelstraten “omdat het nog mag” – mensen die verklaren dat zij geen schrik hebben voor covid-19 en enkel een mondkapje dragen om niet beboet te worden – en in schril contrast daarmee de schrijnende beelden vanuit de ziekenhuizen en WZC’s …

Ik lees over complottheorieën, over ongenoegen met genomen maatregelen of boosheid omdat die maatregelen net niét of niet tijdig werden genomen. Iedereen lijkt te weten wat géén oplossing biedt, maar niemand biedt een pasklaar alternatief. Het is ook een complex gegeven, op elk gebied.

Er moeten nu eenmaal keuzes worden gemaakt om de wereld leefbaar te houden, door wetenschappers, politici en verzorgenden. Maar ik hoop dat deze laatsten nooit voor het dilemma zullen staan te moeten kiezen wie ze nog kunnen behandelen en wie een vogel voor de kat wordt.

De taak van de zorgsector weegt loodzwaar. En covid-19 maakt je ziek, doodziek. Maar nog altijd blijkt een deel van het mensdom het niet begrepen te hebben.

(© Afbeelding van Gerd Altmann via Pixabay)

Mijn Gent – enkele herinneringen

“Mijn” Gent klinkt bezitterig want neen, Gent is natuurlijk niet van mij – al voelt het af en toe wel zo aan want Gent is de stad waar ik geboren ben, waar ik school liep en mijn studententijd doorbracht, waar ik nachten lang uithing en waar ik meerdere stamkroegen had. De stad van “mijn” Gentse Fieste. De stad waar ik nu nog altijd graag naar terugkeer om er een concert, een toneelstuk of een musical bij te wonen. Of om er in de bibliotheek of in één van de vele boekenwinkels te vertoeven.

Mijn eerste herinneringen aan Gent dateren uit mijn prille kindertijd, toen ik een tweetal keer per jaar met mijn ma in Heusden de bus nam naar Gent Dampoort (de bus Gent-Wetteren). Vanaf de Dampoort gingen we te voet via Dampoortstraat, Steendam, Sint-Jacobs, Vrijdagmarkt, de Lange Munte en Groentemarkt naar de Korenmarkt.

Daar begon het shoppen pas. Eerst de Sarma binnen en daarna liepen we door alle grote winkels in de Veldstraat met als laatste de C&A – toen nog op het einde van deze straat. Als we hadden gekocht wat we nodig hadden – en dat was meestal zomerkledij rond Pasen en winterkledij rond Allerheiligen – stapten we het hele eind te voet terug tot de Dampoort, waar we op de bus huiswaarts moesten wachten. In mijn herinnering duurde dat wachten altijd heel lang. Doodmoe was ik daar elke keer van en ik ben ervan overtuigd dat die uitputtende winkelnamiddagen aan de basis liggen van mijn aversie voor shoppen. Ik ga nu nog maar enkel winkelen als ik echt iets nodig heb.

Soms namen we de bus naar Gent om iemand te bezoeken in één van de ziekenhuizen aan de Groenebriel. Toen mijn zus werd geboren (in kliniek De Heilige Familie of “de Briel”, nu Sint Lucas), namen mijn beide grootmoeders me elk afzonderlijk mee om ma en zusje in het moederhuis te gaan bezoeken. Met de ene grootmoeder nam ik daarvoor de gekende bus in Heusden, met de andere de tram in Melle.

Onderweg naar de Briel of naar Sint Vincentius werd me meermaals de Augustijnenkerk aangewezen waar ik destijds was gedoopt – ik werd in de Bond Moyson rechtover de kerk geboren.

Toen ik in 1969 was ingeschreven in Nieuwen Bosch fietste mijn vader met mij naar Standaard Boekhandel op de hoek van het Sint-Baafsplein en de Lange Kruisstraat. De bedoeling was daar mijn boeken voor het eerste jaar middelbaar te kopen en tegelijk mij een beetje vertrouwd te maken met Gent, want ik zou bij volgende bezoeken aan de boekenwinkel mijn plan moeten trekken, met de fiets of te voet. Ontelbaar veel uren heb ik later doorgebracht in deze boekhandel.

 ©  Gentdekuip.com

De eerste twee jaren op Nieuwen Bosch had ik een busabonnement, maar evident was dat niet. Ofwel was ik ‘s morgens al om 7u25 op school (en opvang was er niet voorzien in die tijd), ofwel pas om 8u30 en dat was dan weer te laat … Dus vanaf het derde jaar nam ik mijn toevlucht tot de fiets en de daarop volgende jaren fietste ik bijna dagelijks naar Gent, tot in 1979. Al had ik op het HIVET enige tijd een brommertje, een Flandria, die meer in panne stond dan dat ik er kon mee rijden.

Zaal Van Eyck – nu De Abt in de Lange Kruisstraat ( © beeldbank.stad.gent)

Het hoger onderwijs volgde ik dus aan het HIVET (Hoger instituut voor Vertalers en Tolken) dat eerst in het Klein Seminarie was gevestigd, later in de Brusselsepoortstraat. De studentenvereniging van de tolkenschool organiseerde één donderdagavond per maand een Thé Dansant. De eerste jaren was dat in café “Saint Tropez” bij Eugène op de Brabantdam, later eerst in de zaal van de Roode Hoed (Klein Turkije) en dan in het Middenstandshuis (toen heette het Zaal Van Eyck) in de Lange Kruisstraat, waar in die tijd nog altijd de Standaard Boekhandel was gevestigd op de hoek met het Sint-Baafsplein.

Ik herinner me een kerstvakantie, ik denk in 1977. Overdag moest ik blokken voor de tentamens in januari en elke avond ging ik met vrienden rond het haardvuur zitten in café De Martiko van Walter De Buck. Mooie avonden hebben we daar beleefd.

Na mijn studententijd bleef ik Gent trouw en al woonde ik er nooit, tijdens de Gentse Feesten leek het wel zo: onder de ochtend naar huis om een paar uur te slapen en in de late namiddag terug naar Gent. De stad en haar feesten zag ik jaar na jaar veranderen: van een volksfeest werden de Gentse Feesten een internationaal evenement, grootschaliger en anders maar daarom niet minder leuk.

De stad zelf werd “opgekuist”: er kwamen verkeersvrije straten, de oude gebouwen werden opgesmukt, de grote pleinen werden gezellige ontmoetingsplaatsen, de parkeerplaatsen moesten er plaats ruimen voor terrasjes en fonteinen. De draak op het Belfort werd opgeblonken en Gent ging terug schitteren als weleer. Er kwamen nieuwe projecten zoals de Gentse stadshal (Schaapstal) en het nieuwe gebouw waarin de bibliotheek werd gehuisvest (de Krook) beide opgehemeld door de ene en vergruisd door de andere.

 © De Abt

De zomer van 2020 was er een zonder Gentse Feesten, maar hier en daar werden er alternatieve, coronaveilige alternatieven op kleine schaal georganiseerd. Op een zomeravond hadden we een tafeltje gereserveerd voor een concert à la carte in het kader van de Artistieke Zomer van De Abt. Groot was mijn verbazing toen ik vaststelde dat De Abt is gehuisvest in het gebouw waar wij in onze studententijd onze Thé Dansants hadden, toen het Middenstandshuis nog Van Eyck heette. Vijfenveertig jaar later en pas nu ontdek ik de rijke geschiedenis van dit historisch belangrijke gebouw. (Zie: website van De Abt).

Tijden veranderen, mensen veranderen en ook Gent verandert constant. Maar mijn stad blijft me boeien en verbazen. En Gent laat me ook dromen, dromen van betere tijden … na corona.

Een filosofische kijk op de politiek

Intussen komen mensen om by Alicja Gescinska

My rating: 5 of 5 stars


Alicja Gescinska kwam als zevenjarige met haar ouders via ‘t Klein Kasteeltje vanuit het toen onvrije Polen naar het democratische België. Ze is filosofe en schrijfster. Bijna was ze ook politica.

Toen Guy Verhofstadt haar een verkiesbare derde plek aanbood op de liberale Europese lijst, twijfelde ze eerst omdat ze vreesde voor haar integriteit als intellectueel, als bekroond schrijfster en als mens. Ze twijfelde ook omdat ze niet wist of actief politiek bedrijven wel haar ding zou zijn. Maar uiteindelijk ging ze op het voorstel in. Om de medemens te helpen en hem van dienst te zijn.

Met 33.000 stemmen greep ze naast een zitje. Maar dit was meteen ook de aanleiding om een boek te schrijven over haar kandidatuur, de campagne en de naweeën van de verkiezingen: Intussen komen mensen om. Op die manier kon ze de soms ongefundeerde opvattingen van criticasters allerhande weerleggen.

Want van zodra ze zich in de politiek engageerde, vielen collega-denkers, kennissen, vreemden en sommige vrienden haar aan: dat ze geen goed intellectueel meer zou kunnen zijn als politica, want niet meer onafhankelijk, dat ze te slim voor de politiek zou zijn of besmet zou raken met de politiek als leugenachtige stiel enz. Het gevolg was een tumultueuze periode op professioneel, politiek en persoonlijk gebied.

Toch vond ze het als opiniemaker haar plicht om niet alleen langs de zijlijn te staan, maar zich ook te engageren. Volgens Gescinska mag de intellectueel niet louter waarnemer zijn, maar moet hij of zij een concreet maatschappelijk én politiek engagement aangaan.

Uit dit boek blijkt dat haar eigen politiek engagement voor Europa oprecht was. Ze betreurt dat de media veel te weinig aandacht besteden aan de Europese instellingen en veel te weinig berichten over wat er in het Europese Parlement gaande is. Zonder Europa lukt het niet meer. Europa moet derhalve gered worden van de krachten die het willen vernietigen, in het bijzonder van het rechts-nationalistische populisme. En daarvoor is kennis en inzicht nodig: zo zijn filosofie en politiek onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dixit Gescinska.

De auteur pleit voor een intelligente, liberale politiek. Kan je als politicus van waarheid en van menselijkheid je professioneel kompas maken? Kan een intellectueel een politiek mandaat opnemen zonder zijn/haar integriteit te verliezen? Hoe gaan liberalen best om met het wild om zich heen grijpende cynisme van een maatschappij waarin voor intellectuele en zelfs menselijke verfijning geen plaats meer lijkt te zijn? En wat met die vaak aangehaalde tegenstelling tussen de elite en het gewone volk?

Er is meer openheid van geest nodig voor mensen met een andere mening. Ook haar pleidooi voor nuance – wat ze de kroon op de beschaving noemt – is veelzeggend.

Vanwaar de titel van dit boek? ’Intussen komen mensen om’ is een regel uit een gedicht van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska waarin deze stelt dat alles een kwestie is van politiek, zowel de belangrijke als de triviale zaken, zowel het persoonlijke als het algemene. Terwijl mensen alsmaar debatteren en discussiëren, zowel over de grootste staatszaken als over de grootste stompzinnigheden, komen mensen om. Zo gaat het altijd.

Intussen komen mensen om is een must read voor iedereen die met idealen en uit liefde voor de publieke zaak overweegt de stap naar voren te doen om het mandaat van kiezers te winnen – of het nu is in gemeente, provincie, land of Europa.

En voor alle anderen is het een boek dat een inkijk geeft op hoe het politieke forum idealiter zou kunnen worden ingericht.



View all my reviews

Review on Gent Leest: https://www.gentleest.be/leestips/intussen-komen-mensen-om-over-politieke-betrokkenheid-een-filosofische-kijk-op-de-politiek

De kapper die geheim agent werd

Het complot van Laken by Johan Op de Beeck

My rating: 4 of 5 stars


In de historische roman ‘Het complot van Laken’ brengt ex-nieuwsanker en journalist Johan Op de Beeck de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog opnieuw tot leven en daarin vooral de controversiële rol van koning Leopold III.

Inspiratie voor dit boek haalde de auteur bij de kapper van zijn moeder, ex-geheim agent Jef van Hooff. Die vertelde hem ruim 45 jaar geleden dat hij een rol had gespeeld in een complot rondom de Belgische koning Leopold III. Meer dan vier decennia later schreef Op de Beeck dit verhaal neer in een historisch epos vol spanning en non-fictie. Ook andere historische weetjes worden in dit werk aangehaald, al dan niet geromantiseerd.

Zo krijg je als lezer een inkijkje in het leven van koning Leopold, volg je Van Hooff in achtervolgingen in Mechelen, leef je mee met de Britse oorlogspolitiek en verneem je hoe de Duitsers de geallieerde spionnen soms te vlug af waren. Alles is op waar gebeurde feiten gebaseerd, maar leest toch als een spannend boek.

Hitler heeft België bezet. Leopold III wil in het land blijven en flirt openlijk met de nazi’s (en wat minder openlijk met zijn minnares Lilian Baels). Dat zint de Belgische regering in ballingschap in Londen niet en kapper Van Hooff al evenmin. Deze laatste vlucht via omwegen naar Engeland en wordt daar gevormd tot geheim agent. Na deze opleiding wordt hij samen met een vrouwelijke collega geparachuteerd in België om te proberen Leopold tot inzicht te brengen dat kiezen voor het nazisme niet de juiste keuze is. Maar al vanaf het begin van de missie lopen de dingen anders dan gepland.

Deze spionageroman toont de verdeeldheid tussen de Belgische, Britse en Amerikaanse inlichtingendiensten. Er wordt een ontluisterend beeld geschetst van Leopold III en zijn entourage, die er blijkbaar toch wel eigenaardige ideeën over het begrip democratie op nahielden.

Het duurt in het begin even voor je mee bent met de toch complexe context en de vele personages. Ik realiseerde me bij het lezen van dit boek ook dat ik vooraf eigenlijk niets afwist van de koningskwestie, in de geschiedenislessen werd dat altijd heel snel afgehandeld. Althans, die indruk heb ik toch!

Jef Van Hooff werd na de oorlog ook doodgezwegen, dit wijst er wellicht op dat hij op de hoogte was van zaken die haaks stonden op de officiële geschiedschrijving.

Op de Beeck hanteert een schitterende schrijfstijl. Hij slaagt erin de lezer door zijn uitgebreide beschrijvingen het verhaal in te trekken. Soms vroeg ik me af of dit alles wel echt gebeurd kon zijn? Maar op het einde verklaart de auteur netjes wat waarheid en verzinsel is in een uitgebreide historische duiding.

Op de Beeck lijkt met het boek vooral een hulde te willen brengen aan de vele moedige mensen die hebben gestreden voor onze vrijheid, waarbij ze vaak hun eigen leven in de waagschaal stelden.

Een ware aanrader voor de liefhebbers van dit genre!


Review op Gent Leest: https://www.gentleest.be/leestips/het-complot-van-laken-historische-thriller-de-kapper-die-spion-werd

View all my reviews

Het leven na corona

Er werd mij gevraagd een tekstje te schrijven over hoe ik het leven zie na corona. Niemand kan voorspellen hoe de toekomst er zal uitzien, al zeker niet na de coronacrisis waarvan de gevolgen zich volgens mij nog heel lang zullen laten voelen. Ik heb me gewaagd aan een hoopvolle én aan een negatieve voorspelling …

De post-coronawereld waar ik van droom:

De lockdown deed vele mensen nadenken over de écht waardevolle dingen in hun leven en … dat waren geen dingen, maar mensen en tijd, al dan niet in combinatie met elkaar. Na corona groeit dit besef verder en neemt iedereen voldoende tijd voor zichzelf, voor familie en vrienden. Ze proppen hun agenda niet meer vol met vrijetijdsactiviteiten, waardoor ze constant van hot naar her moesten rennen en uiteindelijk voor veel dingen (en mensen!) geen tijd meer hadden. Ze wisselen nu de voortrazende kloktijd regelmatig af met periodes van innerlijke tijdsbeleving: ze beseffen dat “niets doen” óók iets doen is en dat dit zelfs de creativiteit aanscherpt.

Velen hebben de natuur herontdekt en gaan nog altijd regelmatig slenteren langs geurige veldwegen, wandelen door stille bossen, fietsen langs slingerende waterlopen. Doordat de industrie quasi stilviel, leefde de natuur een heel klein beetje op. We konden ervaren dat we de auto eigenlijk best wel eens kunnen missen, we kregen er zelfs wat frissere lucht voor in de plaats. Dit besef zette de beleidsmensen ertoe aan om voor de bescherming van het klimaat strenge maatregelen te treffen die vergelijkbaar zijn met die tijdens corona. Uiteraard moeten daarvoor offers worden gebracht, maar iedereen is zich bewust van de noodzaak, niet enkel voor zichzelf, maar ook en vooral voor de volgende generaties.

Bovendien is het beleid nu in niets te vergelijken met dat van voor en tijdens corona. In elk land werden de politieke structuren herbekeken en vereenvoudigd. Niet langer verschillende ministers op verschillende niveaus die allemaal voor hetzelfde bevoegd waren, maar een duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden. Beleidsmensen zijn nu ervaren vakmensen op het gebied van hun bevoegdheden en ze worden op basis daarvan verkozen. Partijkaarten en politieke kleur zijn van ondergeschikt belang, partijvoorzitters houden niet langer de politieke touwtjes in handen. De nadruk ligt op samenwerking en communicatie, op elk niveau worden op regelmatige basis controles en evaluaties ingepland. De beste stuurlui staan niet langer aan wal!

Er werd een duidelijke internationale wetgeving opgesteld voor verslaggeving en sociale media. Mensen kunnen niet langer anoniem hun zouteloze mening spuien, enkel onderbouwde meningen die met respect worden geuit, worden toegelaten. Deze mogen best negatief zijn of een aanklacht bevatten, maar fake news en respectloze beschuldigingen op basis van vooroordelen worden geweerd. Racisme en racistische uitspraken worden bestraft.

Het nieuwe beleid heeft ook een oplossing uitgewerkt voor de mensen die door corona, hetzij financieel, hetzij sociaal in de problemen zijn geraakt. Er is nu een gelijk basisloon voor iedereen, zonder uitzonderingen. Wie werkt krijgt daar bovenop een bonus die afhankelijk is van enkele factoren zoals opleiding, verantwoordelijkheid, noodzaak om flexibel te zijn enz. Ook het belastingsysteem werd herzien en er bestaan voortaan geen belastingparadijzen meer.

De wereld waar ik voor vrees:

Na de lockdown hernemen de meeste mensen hun leventje van vóór corona, met veel stress, jachtig nastreven van materieel welzijn en weinig oog voor het sociaal welzijn van de medemensen die het met minder moeten doen. Ieder voor zich wordt het motto van de westerse maatschappij.

Iedereen blijft consumeren en vervuilen, het wordt zelfs erger dan ooit. Klimaatactivisten worden beschouwd als onheilsprofeten, zelfs door de beleidsmensen voor wie postjes, macht en financiële belangen meer tellen dan de natuurrampen die ze voor hun nageslacht gaan achterlaten. Egoïsme ten top: après moi le déluge … en neem dit laatste maar gerust letterlijk.

Een deel van de mensheid ligt wakker en maakt zich zorgen om moeder aarde. Ze voelen zich machteloos omdat ze niets fundamenteels kunnen veranderen, ze vinden geen gehoor bij het beleid. Af en toe halen ze het nieuws, maar hun optreden wordt altijd in een slecht daglicht geplaatst. De media hebben het immers nog altijd voor het zeggen, of ze nu de waarheid geweld aandoen of niet.

Op het politieke vlak dreigen er constant oorlogen. Door gebrek aan communicatie en geïnspireerd door subjectieve berichtgeving, liggen staatshoofden voortdurend in de clinch. Bewapening wordt steeds belangrijker. Ze dreigen elkaars grondgebied in te nemen of te vernietigen. En daarbij vergeten ze dat de aarde geen hulp meer nodig heeft om ten onder te gaan. De natuur zal geen genade kennen.

Druk, druk, druk. Geen tijd want we moeten presteren om “er” te komen.

Waar willen we dan komen?

We blijven het antwoord schuldig.

Dit zijn twee extremen. Het onbereikbaar positieve en het te vrezen negatieve. Ik vermoed dat de toekomst ergens tussenin zal liggen, maar als het even kan, wens ik dat die toekomst zal lijken op deze waar ik zo hard mijn hoop op heb gevestigd.

Zoals het klokje thuis tikt

Mijn grootouders hadden drie regulateurs. Ik geloof dat mijn grootvader ze allemaal had gewonnen met het duiven melken, zijn duiven vlogen regelmatig in de prijzen. En toen bompa en bomma overleden waren, kregen mijn grootouders ook nog hun regulateur erbij. Deze was groter, steviger en sloeg elk kwartier, een Westminster dus.

Omdat niemand van de familie geïnteresseerd was in deze ouderwetse klokken, erfde ik er twee. Wat er met de andere twee is gebeurd, dat weet ik niet, ik vermoed dat ze op het containerpark zijn beland. Ik kon ze niet alle vier nemen, want Ronny had er ook al een geërfd van zijn ouders, maar deze is een tiental jaar geleden finaal stuk gegaan.

Toen we naar ons appartementje verhuisden, was daar geen plaats voor twee regulateurs. Maar van de Westminster kon ik geen afscheid nemen. Integendeel, ik bracht hem naar een klokkenmaker voor volledig nazicht en herstelling.

Door de coronamaatregelen duurde het twee maanden langer vooraleer ik mijn Westminster kon ophalen. Vorige week was het eindelijk zover: de klokkenwinkel in Zomergem mocht weer zijn deuren openen. Wat was de regulateur van mijn overgrootouders mooi geworden! Wijzerplaat, slinger en ruitjes mooi opgeblonken en nog belangrijker: de klok werkt nu perfect en slaat terug elk kwartier.

Het voelde aan als een plechtig moment toen we de Westminster in onze woonkamer aan de muur konden hangen. Ik kreeg er zowaar een krop van in de keel.

We hebben aan onze buren gevraagd of het klokgelui om het kwartier (zowel overdag als ‘s nachts) hen niet stoort. Gelukkig hadden ze het zelfs nog niet gehoord!

Als ik het aan mensen vertel, is hun reactie dat zo’n ding te veel lawaai maakt, maar voor ons is dat niet zo. Het brengt hier zelfs rust in huis. Er zijn er die denken dat ik zo blij ben omdat die klok veel geld waard is, maar ook dat is niet waar, ze heeft enkel nog emotionele waarde. En voor mij is die torenhoog.

Onlangs las ik “Stil de Tijd” van Joke Hermsen. In dit boek pleit de auteur voor onthaasting en voor een langzamere toekomst. Ze maakt het onderscheid tussen de voortrazende kloktijd en onze innerlijke tijdsbeleving. De Grieken noemden deze respectievelijk Kronos en Kairos. De eerste staat voor de kloktijd, de reële tijdsmeting. Kairos staat voor de tijd zoals wij hem ervaren : de tijd die vliegt als je met iets leuks bezig bent, en kruipt als je moet wachten op iets.

Tot net voor corona leefden we in onze maatschappij bijna uitsluitend op het ritme van Kronos: alle uren van de dag mooi ingepland, zelfs de vrije tijd werd volgepropt met activiteiten en het resultaat: iedereen had tijd te kort – druk, druk, druk! We leken wel bang om even niets te doen, elk vrij moment in onze agenda moest optimaal worden benut.

Nochtans is bewezen dat het loont om af en toe verveling of nietsdoen toe te laten. Hermsen zegt hierover: “Vandaar dat een idee of oplossing je vaak pas te binnen schiet als je onder de douche staat, even op de bank gaat liggen of een wandeling maakt, kortom als je niet doelgericht en actief met iets bezig bent en je overgeeft aan de verveling.”

Als corona ons iets geleerd heeft, is het dat we ook anders met tijd kunnen (en moeten) omgaan. Ik hoor veel mensen zeggen dat ze nu hun tijd anders ervaren, dat ze zelfs minder tijdsbesef hebben: ze bedoelen geen besef van de Kronos tijd.

Uiteraard is Kronos tijd belangrijk in onze huidige samenleving. Hoe zouden we anders met elkaar afspraken kunnen maken, school- en werktijden regelen enz. De kunst is een gezonde balans te vinden tussen Kronos en Kairos. En ik hoop dat we daar na corona allemaal in slagen, als mens én als samenleving.

Sedert we in Massemen wonen, heb ik onbewust geprobeerd dit evenwicht te vinden. Loskomen van de kloktijd en open staan voor een andere beleving van tijd. Dat laatste zou een voorwaarde voor creativiteit zijn.

En tegelijk zit ik hier nu met een Westminster die puur Kronos is en die zich elk kwartier laat horen. Alhoewel net dit me laat beseffen hoe relatief het begrip “tijd” is. Soms denk ik: is er alweer een kwartier verstreken? Op een ander moment schrik ik dat het al zo laat is en heb ik het gevoel dat ik het slagwerk van de laatste paar uur niet eens heb gehoord. Ik ben op zo’n moment zelfs al eens gaan kijken of de klok niet was stilgevallen.

‘s Morgens vroeg hoor ik de vogels door het open raam kwetteren en binnen is er het zachte tikken van onze klok, als de hartslag van het verleden. De herinnering aan mijn (over)grootouders. En dan weet ik dat het goed is. Dit is thuis, waar het klokje tikt als nergens anders.

Afscheid van Rita

De dag van je begrafenis. Op weg er naartoe een heftige wind, even heftig als jij in je reacties kon zijn. Maar ook af en toe een deugddoend zonnestraaltje.

De dag van je begrafenis. Niet volledig zoals jij ze tot in detail had voorbereid. Maar veel intiemer, met enkel je kinderen en kleinkinderen, je broer, schoonzussen en schoonbroer, je nichtje, je beste vriendin-schoondochter, twee trouwe vrienden en ikzelf. Meer mensen liet corona niet toe.

Het was een intieme plechtigheid met veel persoonlijke getuigenissen, waarvan ik er enkele voorlas – voor wie het emotioneel niet aankon dat zelf te doen. Er werden veel traantjes weggepinkt, vooral als de kleinkinderen aan het woord kwamen. De oudste kleinzoon kende je op zijn duimpje, er werd hier en daar instemmend geglimlacht toen hij zei: “en als het u niet aanstond hadden we het allemaal wel geweten.”

Dominique noemde jou de sterkste vrouw die ze ooit heeft gekend, voor de buitenwereld een harde tante, maar achter die ruwe bolster zat een klein hartje. Je was, zoals David je beschreef: een robuuste maar tegelijk een zeer kwetsbare dame.

Jouw broer omschreef treffend hoe jij op de diagnose van ongeneeslijke kanker reageerde: “u hebt dat gelaten aanvaard alsof het iets doodgewoons was. Nooit heb ik u horen klagen en u had zelfs de moed om uw eigen begrafenis tot in de puntjes te regelen. Persoonlijk had ik het daar veel moeilijker mee dan u.”

De getuigenis van Evelyne was voor mij het moeilijkst om voor te lezen, Rita. Jij hebt de laatste twee maanden, tot twee dagen na jouw verjaardag eind april, bij Evelyne en haar gezin ingewoond. In elk woord, in elke zin klonk een eindeloos verdriet en gemis voor haar “moederke”. Jij vertelde mij herhaaldelijk hoe dankbaar je was voor alles wat jouw dochter voor jou gedaan heeft.

De muziek die jij zelf gekozen had, Rita, zal me voortaan altijd aan jou doen denken. Het is de muziek waar jij de laatste maanden herhaaldelijk, bijna constant, naar luisterde.

Ik ben de familie heel dankbaar dat ik mocht aanwezig zijn op jouw afscheid. En wel hierom:

In de kerstperiode nodigde Rita me uit op de koffie. Ze vertelde mij dat ze haar begrafenis aan het voorbereiden was. Ze had brieven geschreven aan de kleinkinderen, de muziek gekozen voor haar afscheid, en met de begrafenisondernemer waren er ook al afspraken gemaakt. Maar er was nog één iets niet in orde en daar kon ik haar mee helpen, zei ze.

Ze zei dat er nog een paar mensen waren die ze tijdens de afscheidsdienst wou bedanken en aangezien zij dat op dat moment zelf niet meer zou kunnen (zo zei ze het letterlijk!), vroeg ze aan mij haar woorden te noteren en ze tijdens de begrafenis voor te lezen.

Toen ik haar een laatste keer ging bezoeken, die laatste zondag dat ze bij Evelyne & David thuis was, fluisterde ze me toe: “Linda, niet vergeten wat ik u gevraagd heb hé.” Ik begreep niet alles wat ze me tijdens dat laatste bezoekje vertelde, maar deze woorden waren klaar en duidelijk, want die bedanking was o zó belangrijk voor haar.

Zo heb ik mijn laatste belofte aan jou kunnen nakomen, Rita. En het is weer typisch jou hé, dat je het laatste woord moest hebben, zelfs al was je er fysiek niet meer.

Tussen de foto’s die werden geprojecteerd, was er eentje waar wij met ons twee op staan, allebei nippend aan een cocktail. Ik herkende de foto onmiddellijk: twintig jaar geleden, in Turkije. Ik koester duizenden mooie momenten die we samen hebben gedeeld met onze “mannen van de Filliers-club” Herman en Ronny. Herinneringen niet alleen aan de Kouterslag, maar ook aan de bezoekjes bij elkaar thuis en aan onze vakanties samen.

Het onverwachte overlijden van Herman zes jaar geleden kwam voor iedereen hard aan, maar voor jou het meest. Nu zijn jullie weer dicht bij elkaar.

Het afscheid van jou voelt aan als de laatste bladzijde lezen van een prachtig boek. Met veel spijt dat het uit is, maar met dat grote verschil dat je een boek wel kan herlezen.

Het verhaal dat wij samen mochten beleven, dat is ten einde. Maar troost je: het was een prachtig en uniek verhaal, om nooit meer te vergeten.

Dank voor alles, moeke Rita. Ik ben blij dat ik je vriendin mocht zijn.

Terug naar Eden

Als kind had ik heel vaak het gevoel dat ik in een tuin van Eden leefde.

Tot mijn zevende was ik enig kind en mijn ouders werkten allebei in een ploegensysteem. Dus woonde ik een groot deel van de tijd bij mijn grootouders (langs vaders kant). Zij hadden een grote moestuin en een “land”. Dit land was een stuk akker dat ze van een naburige boer mochten gebruiken, of huurden – dat weet ik niet precies. Mijn grootvader nam me regelmatig mee naar het land. We vertrokken – naar gelang het seizoen – met zaad- en plantgoed of met rieten loofmanden, ook harken en spades die pepe over zijn schouders meedroeg. Soms mocht ik in een mand zitten en droeg hij me zo mee. Ik vond het heerlijk daarin mee te deinen op de maat van zijn stappen.

In mijn herinnering is het altijd zomer. We stappen langs een wegeltje tussen het akkerland en de moestuinen van de buren naar de achterkant van de akker. Op deze akker staan afwisselend het ene jaar aardappelen en het andere jaar koren. Het ruikt er heerlijk, de hitte zindert boven de korenaren en ik hou van het blauw van de bloemen, korenbloemblauw. Op terugweg naar huis mag ik een ruikertje plukken. Ik wil er ook rode klaprozen bij en begrijp niet waarom de rode blaadjes altijd loslaten van zodra het steeltje wordt geplukt.

Het ruikertje is voor mijn overgrootmoeder, bij wie we dagelijks langs gaan. Ze is de pleegmoeder van mijn grootvader en zij woont samen met zijn vader, mijn bompa, in een huisje met een prachtige tuin. Eigenlijk zijn het drie tuinen: in deze dicht bij het huis staan twee kerselaars, een met witte kersen en een met donkerrode. Daaronder een houten bank waarop we gaan zitten om koffie of limonade te drinken. Ik krijg bij elk bezoek een snoepje van “Bomma Spek” en zij zet mijn bloemen altijd onmiddellijk in een vaasje, haar tuintje en keuken staan vol bloempotten die ze zelf heeft geschilderd, met bolletjes in verschillende kleuren. De andere tuin is bompa zijn domein: een moestuin waar alles netjes in bedden groeit. Tussen die twee tuinen staat een duivenhok van mijn grootvader. Die duiventil is de reden van de dagelijkse bezoekjes. Helemaal achteraan is het derde gedeelte van de tuin, waar enkel hoge sparren staan, met er middenin een overdekte houten bank. Daar is het ‘s zomers zalig zitten als het zachtjes regent en de natuur bedwelmend geurt.

Enkele maanden geleden zijn we verhuisd naar “de buiten” dicht bij de Watermolen te Massemen. En hier komen alle geuren en kleuren van vroeger, alle herinneringen terug tot leven. Na honderd meter wandelen loop ik tussen de velden en weiden, ik zou er kunnen over grachten springen – zoals vroeger met de buurjongens van mijn grootouders.

Het is een feest de natuur te zien ontwaken na de kale winter, vanuit mijn zetel zie ik door het grote raam veel vogels vliegen, een koppel eksters maakt een nest in een populier. Bij de watermolen zien we af en toe de ijsvogel, de torenvalk cirkelt soms hoog in de staalblauwe lucht. Ik geniet van de romig witte en donkergrijze wolken die prachtig contrasteren. Als het regent, gaan de vensters open om de geur van de natuur binnen te laten. Ik volg ‘s avonds de maan en denk aan mijn grootvader, die pas zaaide of oogstte als de maan “goed zat”.

De lievelingsbloemen uit mijn jeugd bloeien nu in ons kleine tuintje: viooltjes, fuchsia en blauwe druifjes. Ik leef te midden van de geuren en kleuren die me als kind omringden. En ik denk heel vaak aan mijn grootouders, wiens naam we ons hebben aangemeten: nu zijn wij op onze beurt meme en pepe.

De cirkel is rond. Ik waan me weer in Eden.