Maandelijks archief: april 2016

Bange dagen op de afdeling Neurologie

(Vervolg aan NAH-dagboek)

Ronny moet drie dagen op de “stroke unit” blijven.

Na een slapeloze nacht, probeer ik hem op vrijdagmorgen al heel vroeg te bellen. Hij neemt zijn gsm niet op en pas achteraf maak ik me de bedenking dat het voor hem lastig zal zijn om alles met zijn linker hand te doen, wellicht kan hij niet eens telefoneren.

Er volgen twee dagen van heen-en-weer geloop. Elke middag van 3 tot 4 uur en elke avond van 19 tot 20 uur ga ik bij Ronny op bezoek. Tussendoor probeer ik “normale” dingen te doen, ik rijd naar het werk, doe boodschappen (toiletgerief en nieuw ondergoed, nieuwe pyjama’s voor Ronny), gewoon kwestie van iets omhanden te hebben. Ik neem zonder nadenken ook Ronny zijn pantoffels (slippers) mee naar het ziekenhuis. Hij kan daar natuurlijk niets mee doen, hij mag (kan) voorlopig niet uit het bed, hij zit aan diverse machines vast. Bovendien kan hij niet stappen, hij zegt dat hij amper op zijn benen kan staan als hij eventjes moet opstaan voor toilet of als zijn bed wordt opgemaakt.

Op vrijdagmiddag ga ik bij mijn oudste schoondochter eten en breng ik de twee oudste kindjes naar school. Ondertussen rijdt Katrien met de jongste naar de dokter, want die heeft zondag tijdens het sinterklaasfeestje bij ons thuis zijn beide handpalmen verbrand aan onze verwarming. Het was me het weekje wel.

Zaterdagnamiddag komt mijn zus met mij mee naar het universitair ziekenhuis en daarna brengt ze mij bij mijn jongste zoon en schoondochter, waar alle kinderen en kleinkinderen samen zijn om Lisa haar verjaardag te vieren. Zonder Pepe.

’s Avonds keer ik te voet terug naar het ziekenhuis, waar mijn auto nog geparkeerd staat, en ik ben nog maar eventjes bij Ronny als onze zonen daar ook samen aankomen. Ik weet niet hoe het komt, maar ik word heel emotioneel. Gelukkig kan ik de tranen inhouden tot ik thuis ben. In ons koude, lege huis waar enkel de poes een beetje warmte brengt door constant op mijn schoot of naast mij te liggen spinnen.

Ronny1

Zondagmorgen belt Ronny me zelf – de verpleegster heeft hem geholpen met zijn gsm. Hij mag na de middag naar een gewone ziekenkamer. We zijn allebei opgelucht.

De verhuis is echter drukker dan verwacht, Ronny ziet er moe uit. Zijn kamergenoot doet heel druk, maakt ruzie met twee vrouwen (ex en vriendin), hij loopt veel de kamer in en uit en belt constant. Elke keer als Ronny bijna in slaap valt, begint de man terug luid te praten. Er komt ook bezoek, ik had mijn schoonzus moeten beloven dat ik zou zeggen wanneer Ronny naar een “gewone” kamer zou verhuizen en dus bezoek mag ontvangen. Het is druk in de kleine kamer, met zoveel bezoek dat lang blijft zitten, ook al zijn er geen stoelen genoeg voor iedereen.

’s Avonds is Ronny doodop. Ik functioneer op adrenaline.

Op maandag- en dinsdagvoormiddag ga ik op de jongste kleinzoon passen, die niet naar de crèche mag met zijn verbrande handjes. ’s Middags breng ik hem naar de andere oma, vooraleer ik naar het ziekenhuis rijd. Op dinsdagmiddag krijg ik telefoon van Ronny: of ik onmiddellijk naar het UZ kan komen, iemand van de sociale dienst wil ons samen spreken.

Door files en het zoeken naar parking, ben ik laat, maar gelukkig nog net op tijd voor de afspraak met de sociale assistente, iemand van onze leeftijd. We hebben een goed gesprek, ze gaat positief adviseren om Ronny tijdens feestdagen naar huis te laten komen. Ze geeft me tips en raad me aan een ziekenhuisbed en enkele andere spullen te bestellen, zodat ik deze al in huis heb als Ronny een paar dagen naar huis zou mogen komen. Ze vraagt ook of wij haar toelating geven om een plaats te zoeken waar Ronny kan gaan revalideren. Dat kan in UZ Gent zijn, maar eventueel ook in een ander ziekenhuis … in het Gentse of elders. Ze spreekt ook over een revalidatieziekenhuis in Oostende, dat hoog aangeschreven staat. Mij is het om het even waar, als Ronny maar geholpen kan worden. Of ik het zie zitten om elke dag of toch enkele keren per week naar Oostende op bezoek te komen? Ik bedenk dat ik zelfs een onderkomen aan zee zou kunnen zoeken, voor de tijd dat Ronny in Oostende zou moeten verblijven. Nu maar duimen dat er vlug een plaats vrijkomt, om het even waar.

Ronny zijn buurman vertrekt naar huis, Ronny zelf moet naar een andere kamer verhuizen. Een kamer die hij zal delen met een parkinson patiënt, die ons (en vooral mij) volledig opeist

Ik ‘verstop’ me aan andere kant van het bed met een boek, maar die man houdt niet af.

Vermoeiend voor Ronny, hij gaat een lastige avond tegemoet

Op woensdagvoormiddag bel ik naar de mutualiteit en bestel onder andere een ziekenhuisbed en een rolstoel. Ik ga ‘s middags eten bij onze jongste schoondochter en tref na de middag Ronny alleen aan in zijn kamer. Zijn kamergenoot is ontslagen. Het doet goed om even alleen te zijn, een beetje rust en stilte te kunnen ervaren, eens alleen te zijn met ons twee. Ronny zijn zus en schoonbroer komen op bezoek en blijven de hele namiddag … Ondertussen krijg ik telefoons van mijn werk, ook daar moet ik dringend eens orde op zaken gaan stellen.

Die avond haal ik een slaatje in de zelfbediening van het ziekenhuis, het zal vanaf nu een gewoonte worden dat wij ’s avonds samen eten, Ronny en ik. Dan kan ik zijn boterhammen smeren en hem helpen bij het snijden, want hij heeft nog altijd geen controle over zijn rechter hand. Hij kan wel al enkele stapjes zetten, met steun uiteraard, maar het is een begin.

Op donderdagmorgen krijg ik een telefoontje van de mutualiteit dat men onderweg is met alles wat ik heb besteld. Ik maak plaats in de living en begin met een grondige poetsbeurt. Als de bel gaat, is alles netjes klaar. Amper een week geleden vertrokken wij samen naar het ziekenhuis, nu is onze living een ziekenkamer geworden. Het is enkel nog even wachten op de patient zelf.

’s Middags is er een eindejaarsetentje van mijn werk. Ronny belt mij dat ik me niet moet haasten om naar het ziekenhuis te komen, hij moet trouwens toch nog naar een onderzoek. Als ik later dan andere dagen op Ronny zijn kamer kom, is hij nog niet terug van het onderzoek. Hij heeft wel een nieuwe kamergenoot gekregen, gelukkig is het deze keer een rustige man.

Vrijdag bedenk ik me dat er nog veel mensen zijn die nog niet op de hoogte zijn van onze situatie. Ik zie het niet zitten om iedereen persoonlijk op de hoogte te brengen en telkens hetzelfde te moeten herhalen.

Ik stuur dan maar een mailtje:

Beste vriend(inn)en,

Dit is een mailtje met een vroege kerstwens. Maar er is meer.

Ik wil jullie laten weten dat Ronny vorige week is getroffen door een CVA, een herseninfarct. Hij vertoont verlammingsverschijnselen aan rechter been en rechter arm, zijn spreken en geheugen zijn (gelukkig) niet aangetast. Tot vorig weekend kon hij niet op zijn benen staan, maar nu lukt dat wel, hij kan zelfs al een klein eindje stappen. Gisteren zijn de laatste grote onderzoeken gebeurd, maandag hebben we een gesprek met de dokters en zullen we meer concreets weten. We hebben een aanvraag ingediend voor opname in een revalidatiecentrum, dit bij verschillende centra want alles bleek volzet. Van zodra er één van de aangeschreven centra een plaatsje vrij heeft, gaan we daar naartoe. Dat kan in Gent of Oostende zijn.

Wellicht mag Ronny met kerst eventjes naar huis. Ik ben niet bij de pakken blijven zitten en heb in onze living een elektrisch ziekenhuisbed geïnstalleerd, we hebben een rolstoel, looprek enz. klaar staan. Ik heb al onze (vooral mijn) afspraken voor de komende weken afgezegd en ik werk voorlopig niet – vanaf volgende week misschien van thuis uit (en dan enkel de dringende zaken).

Het was hier een donderslag bij heldere hemel … Vooral het besef dat alles nog véél erger had kunnen aflopen, heeft me een paar dagen de pedalen doen verliezen. Gelukkig is Ronny heel positief ingesteld, hij werkt enorm goed mee en kijkt elke dag uit naar nieuws ivm de revalidatie. Nu oefent hij ook elke dag hoor, met een team kinesisten, maar in een revalidatiecentrum zal dat intensiever zijn. Hij kan zijn rechter hand nu al een beetje gebruiken, hij oefent elke dag of hij al kan schrijven, maar dat lukt nog niet. Ook bij het eten heeft hij hulp nodig … We beseffen dat er veel geduld en veel tijd zal nodig zijn om volledig te herstellen.

Meer dan ooit besef ik nu dat gezondheid onze grootste schat is, op gelijke hoogte met vriendschap en liefde … We mogen ervaren dat we aan deze laatste waarden zeker geen gebrek hebben, onze kinderen en dichte familie geven enorm veel steun, we voelen ons heel graag gezien.

Samen met de kinderen en kleinkinderen hopen we dat we allen samen kerstavond thuis zullen kunnen vieren. Het wordt voor ons in elk geval een Kerst als nooit tevoren!

Ik houd jullie alleszins op de hoogte van de evolutie van Ronny zijn gezondheid. En voor de kerstdagen sturen wij jullie een warme knuffel!

Linda, 19 december 2014

(wordt vervolgd)

Een donderslag bij heldere hemel

Donderdag 11 december

Ik word wakker van iets dat me irriteert. Ronny ligt naast me te woelen in bed en is de lichtschakelaar aan het zoeken. Waarom duurt dat zo lang? Wat …? Ik val terug in slaap en besef zelfs niet dat hij is opgestaan.

Ik word wakker en steek mijn linker arm uit. Leegte. Ronny ligt niet meer in bed. De wekker staat op 07:07. Zo laat al? Ruim een half uur later dan gewoonlijk, maar dat is niet erg, ik ga wellicht toch niet naar het werk kunnen rijden vanmorgen, want ik ga om half negen bellen naar radiologie en een afspraak maken voor Ronny, hij is nog altijd aan het hoesten en op aanraden van de huisdokter moeten er foto’s worden genomen van zijn longen. Ik herinner me plots hoe Ronny vanmorgen aan het nachtlampje aan het prutsen was en sta vlug op.

Als ik bijna beneden ben, zie ik door de glazen deur al meteen dat er iets mis is. Ronny zit op een stoel aan de keukentafel en kijkt mij recht in de ogen, ik lees onrust in zijn blik. Hij zegt dat hij niet goed kan stappen, dat ook schrijven niet lukt. Meteen flitst het door mijn hoofd: CVA!

Hij wil dat de huisdokter straks aan huis komt, of eventueel de dokter van wacht. Mijn voorstel om meteen naar spoed te rijden valt niet in goede aarde. Ik bel dan maar naar onze huisdokter. Gelukkig wordt er al opgenomen, ondanks het vroege uur. Bee bevestigt mijn vermoeden (CVA) en raadt aan om Ronny in de auto te zetten en met hem naar spoed te rijden.

Ik trek mijn kleren aan en grabbel een fles water mee want ik heb geen tijd voor koffie of thee. Zelfs geen tijd om deftig mijn tanden te poetsen.

Door de ochtendfile duurt de rit naar het Universitair Ziekenhuis drie keer zo lang. Het is iets voor 8 uur als we de parking van spoed oprijden. Ronny stapt aan mijn arm mee van de auto tot de ingang, zijn rechter been sleept een beetje, maar hij stapt goed door.

Er wordt ons gevraagd in de wachtzaal plaats te nemen. En daar laat men ons ruim 20 minuten wachten, ook al heb ik gezegd dat er spoed bij is want dat mijn man zo goed als zeker door CVA is getroffen.

Hadden we maar de ziekenwagen gebeld, denk ik nu, dan was Ronny veel vlugger geholpen geweest, dan was me ook de dolle rit in volle ochtendspits bespaard gebleven.

Ronny wordt onderzocht door een verpleger, die me corrigeert als ik spreek over CVS. Ik ben in de war, de ernst van de situatie is tot mij doorgedrongen. De assistent neurologie vraagt hoe laat precies de klachten begonnen zijn. Ronny weet het niet, onder de morgen had hij het gevoel dat zijn been sliep of dat hij kramp zou krijgen, hij kon zich moeilijk draaien in bed. Hij is om half 6 opgestaan, heeft nog koffie gezet. Hij heeft dan gewacht tot ik opstond. (Ik vroeg het hem vanmorgen al herhaaldelijk: waarom heb je mij niet wakker gemaakt?!).

De dokter dringt nog verschillende keren aan: was het 4 uur of  5 uur of 5 over 5 toen Ronny voelde dat er iets mis was met zijn been? ‘Het is voor ons belangrijk te weten hoe laat precies de klachten zijn begonnen, elke seconde telt.’ Ik zeg dat we het echt niet weten en vraag waarom men ons dan bijna een half uur in de wachtzaal heeft laten zitten. Hierop komt geen reactie meer.

Ronny wordt weggebracht om een CT-scan te laten maken. De dokter komt nogmaals bij mij vragen of ik echt niet weet hoe laat alles begonnen is. Was het gisterenavond al? Neen, dat denk ik toch niet. ‘Denken?’ zegt hij streng. ‘Ik moet het zeker weten of we zijn te laat voor behandeling.’

Mijn schuldgevoel groeit met elke seconde. Waarom heb ik net vandaag zo lang geslapen? Waarom heeft Ronny de ernst van de situatie niet ingezien? Gelukkig ben ik onmiddellijk in actie geschoten toen ik opstond en ben ik meteen met hem naar spoed gereden. Waarom heb ik niet gevraagd wat er scheelde toen ik hem aan het licht hoorde prutsen? Dan had hij me het me zeker gezegd en waren we anderhalf uur vroeger op spoed aangekomen.

Had ik maar … Had hij maar … We kunnen de klok niet terugdraaien. Ik kan mijn tranen bijna niet meer tegenhouden, maar ik wil ook sterk zijn en ik wil niet dat Ronny ziet dat ik geweend heb als hij terugkomt. De dokter is nu constant aan het telefoneren en is echt wel streng voor mij. Ik hoor hem zeggen dat zelfs de echtgenote niet weet hoe laat het begonnen is, dat hij ervan uitgaat dat het een ‘wake up stroke’ is.

Het meisje dat de dokter assisteert (een stagiaire, vermoed ik) neemt me apart en zegt dat de dokter er alles aan doet om meteen ook een MR-scan te regelen. Ze vraagt me of het gaat. En dan komen de tranen natuurlijk, omdat ze zo lief is voor mij.

Een verpleger komt me de kleren en schoenen brengen die Ronny nog aan had, hij zal nog een half uurtje weg blijven. De CT-scan is al voorbij en hij krijgt voorrang om meteen ook onder de MR-scan te gaan.

Ik bel naar mijn zus, zij slaagt erin me te kalmeren. Ik heb mijn emoties terug in de hand. Ik probeer mezelf ervan te overtuigen dat het geen zin heeft achterop te blijven kijken en spijt te hebben over de gemiste kansen. Ronny is een sterke man en samen zijn we beresterk.

De toekomst zag er voor mij nog nooit zo onzeker uit. Ik weet niet wat er ons te wachten staat.

Ronny komt terug, hij is rustig en lacht naar mij. Ik realiseer me nog maar eens dat hij niet beseft hoe ernstig dit is.

De dokter komt ons tien minuten later slecht nieuws brengen: we zijn te laat en er kan niets meer gedaan worden. Wablief? Niets?! Wat betekent dat?

De dokter blijft schoolmeesterachtig streng, hij is heel jong (hoe ouder ik word, hoe jonger ik de dokters vind natuurlijk). Als we op tijd waren gekomen (daar gaan we weer – schuldgevoel, schuldgevoel), konden de bloedklontertjes worden opgelost, nu zitten de adertjes al dicht en zijn die deeltjes van de hersenen afgestorven, voorgoed.

Paniek, paniek, paniek!

De dokter vertrekt, de stagiaire vraagt of we alles begrepen hebben en of we extra uitleg nodig hebben. Ze legt uit dat de functies van de hersendelen die nu zijn uitgevallen, zullen worden overgenomen door andere delen van de hersenen, maar dat vraagt tijd én revalidatie.

Ronny moet worden opgenomen op de afdeling neurologie, maar er is geen plaats. Voorlopig wordt hij naar een kamertje gebracht naast de spoedafdeling. De verpleegster vraagt of hij kan stappen, het is maar een paar tientallen meter ver. ‘Ja natuurlijk’, zegt Ronny, maar als hij recht komt, staat hij heel wankel op zijn benen en ik voel hoe hij zwaar op mij leunt. We slepen, dragen hem meer dan hij zelf stapt. Ik hoor gepiep op het bakje dat zijn parameters registreert.

Paniek, onzekerheid, verdriet en een hele kluwen van andere emoties die ik niet meteen kan duiden, groeien als een zware klomp in mijn maag en in mijn keel. Ik wil iets doen, maar weet niet wat. Ik wil iemand bellen, maar weet niet wie. Ronny ziet dat ik de pedalen aan het verliezen ben en zegt (heel overtuigd): ‘dat komt allemaal goed, kijk maar ik kan mijn been alweer bewegen en mijn hand voelt ook al beter aan.’

Ik moet naar huis rijden om het hoogst nodige te halen voor Ronny: kleren, toiletzak. En de kinderen verwittigen, wat gaan die schrikken! Ik bel eerst naar mijn oudste schoondochter Katrien en mijn jongste zoon David. Koen en Lendita durf ik niet meteen storen op hun werk. Katrien zegt dat Koen niet in vergadering is, dat ik hem gerust kan bellen. David zal Lendita zelf op de hoogte brengen. Ik kan mijn tranen niet meer bedwingen en laat ze de vrije loop, terwijl ik nog altijd in de auto zit, op de parking van spoed. Ik moet echter sterk zijn, want Ronny heeft me nodig, nu meer dan ooit.

Als ik terug kalm ben, start ik de auto en rijd naar de uitgang, ik ben vergeten mijn parkeerticket te valideren en krijg bijna te maken met verkeersagressie. De chauffeur van een auto die achter mij rijdt, maakt misbaar omdat ik achteruit moet rijden en aan de kant moet gaan parkeren om mijn ticket te kunnen gaan betalen. Ik denk: man, laat mij met rust. Hij ziet mijn tranen en rijd naar de slagboom ernaast, hij stopt met tegen mij te foeteren.

Ik rijd naar Heusden, maar mijn ouders. Ik probeer daar zo kalm mogelijk te zeggen wat er gebeurd is. Dat lukt, al voel ik af en toe een warme traan over mijn kaken lopen. Het middageten is klaar en er wordt voor mij een bord bijgezet. Ik heb geen honger, maar probeer toch een paar brokjes stoofvlees naar binnen te werken.

Ik rijd naar huis en werk op automatische piloot een lijstje af: tanden poetsen, ondergoed en toiletgrief voor Ronny in valiesje, de poes te eten geven, de gordijnen openen en het huis eventjes verluchten. En ik vertrek naar Ronny. Eerst ga ik nog een outprint van een artikel afgeven bij den Barbier van Melle, waar ik meteen ook laat weten dat Ronny die namiddag niet zal komen kaarten.

Iets voor 14 uur ben ik in spoed, ik moet aan de receptie vragen of ik toegang krijg tot de kamer waar mijn man voorlopig is ondergebracht, een verpleger komt me halen. Er staat een plateau voor Ronny zijn neus, hij heeft niet veel gegeten want het was steak en dat kan hij niet snijden, hij heeft geen controle meer over zijn rechter hand. Als ik Ronny zeg dat hij revalidatie zal moeten volgen, zegt hij: ‘als het niet gaat in één stap, zal ik er twee zetten, dat komt vanzelf wel weer in orde.’ Hij zit nog altijd in ontkenningsfase. Logisch zeker?

De tamtam doet zijn werk, ik krijg berichtjes van Annemie, van Marijke, van Patsy. Ik heb een boek meegebracht maar lezen lukt niet. Eerst wordt gezegd dat Ronny op spoed moet blijven tot morgenvroeg, dan zal er plots plaats zijn op neurologie rond half vijf. Onze oudste zoon Koen belt, hij wil per se nog langskomen. Ik vraag om rechtstreeks naar 10K12 te komen, waar wij rond 18 uur wel zullen aanwezig zijn. De verpleger komt echter zeggen dat het een half uurtje later zal zijn, de persoon die het transport moet regelen is in koffiepauze. Ronny zijn eten staat klaar om mee te nemen, maar hij moet wachten tot hij op de dienst neurologie is, daar moet hij misschien eerst nog eens onderzocht worden.

Ik bel naar  Koen en vraag hem toch eerst naar spoed te komen, hij is er net op tijd om de verhuis mee te maken naar de afdeling neurologie, naar de stroke unit. Daar mag Ronny twee keer per dag een uurtje bezoek krijgen, van maximum twee personen tegelijk.

Als we vertrekken, vind ik het verschrikkelijk dat ik hem moet achterlaten, maar ik weet dat hij in goede handen is.

Op de parking neem ik afscheid van Koen. Ik rijd nog niet naar huis, maar ga even bij onze jongste zoon en schoondochter langs, want net vandaag is hun dochtertje jarig, onze kleindochter werd 6 jaar, net vandaag. Ik heb een klein geschenkje mee, dat ik gelukkig op voorhand had gekocht. Ik blijf niet lang, want ik voel me doodop.

Ik kom thuis in een koud en verlaten huis. Gelukkig weet ik dan nog niet dat dit me de komende zes weken elke avond te wachten staat.

Ik realiseer me dat het allemaal nog veel erger kon verlopen zijn, maar veel troost biedt deze gedachte niet.

We nemen de draad weer op

Het leven kan in één seconde een heel andere wending nemen. Eén enkele gebeurtenis en alles verloopt plots totaal anders dan je had gepland of verwacht.

Zo overkwam het ook ons. In december 2014 kreeg mijn echtgenoot een hersentrombose en ons/mijn leven is voortaan verdeeld in vóór en ná het hersenletsel. Het leven nu is helemaal anders dan ervoor, ook voor mij. Ik ben bezorgder, voorzichtiger, maar kan anderzijds meer genieten van kleine dingen, zoals een wandeling naar de markt met ons twee, of samen in de tuin in de zon zitten. We moesten vooral leren hulp vragen en ermee leren omgaan als die hulp op zich laat wachten of uitblijft. Kleine en grote teleurstellingen wegslikken, verwonderd zijn om het geluk van kleine dingen. Zo lang we het samen kunnen dragen, is het goed.

Het hersenletsel is ook de reden waarom hier zo weinig werd gepubliceerd de afgelopen maanden. Niet door een gebrek aan inspiratie, maar vooral door een gebrek aan energie en tijd.

Ik kreeg regelmatig te horen dat het leven verder gaat, dat ik niet bij de pakken mocht blijven zitten, dat het voor Ronny erger is dan voor mij (uiteraard) en dat ik mijn hoofd niet moet laten hangen. Maar toch ondervond ik dat een NAH (niet aangeboren hersenletsel) je als koppel treft, dat je als koppel ook een nieuwe weg moet zoeken, dat je ook als koppel ziek bent en moet herstellen.

Nu, na zestien maanden, neem ik de draad weer op. Ik ga weer schrijven, reizen, lezen. Het wordt nooit meer als voorheen, want reizen is voor mijn echtgenoot nog altijd te vermoeiend. Wat zeg ik? Het dagdagelijkse leven is voor hem al behoorlijk vermoeiend, laat staan alles wat er extra bijkomt. Dus moesten er keuzes worden gemaakt. Trek ik alleen op avontuur uit? Ga ik verder op onderzoek naar alles wat met WOI te maken heeft, ga ik alleen op stap met de VIFF (Vrienden van In Flanders Fields)?

Voorlopig is het antwoord op deze vragen nog positief, maar de ervaring zal moeten leren of het meevalt en of we het allebei aankunnen. In mei trek ik met de VIFF op “slagveldreis” naar Ierland, niet dat daar slagvelden te vinden waren, maar wel andere sporen van de Ierse betrokkenheid in WOI.

Een andere beslissing is dat ik hier mijn dagboek van het laatste jaar wil delen. Want het is niet omdat ik niets liet verschijnen, dat ik niets heb geschreven, integendeel. Schrijven werkt nog altijd therapeutisch voor mij. Misschien zijn er mensen in dezelfde situatie die geholpen zijn met het lezen van ons verhaal. Ervaringen delen kan ook genezend werken, dat ondervond ik al meermaals op de avonden die door de vzw SIG worden georganiseerd voor lotgenoten en partners van mensen met NAH.

Daarom vanaf nu regelmatig deeltjes van het NAH-dagboek dat begon op 11 december 2014.

Want gedeelde smart is halve smart, gedeelde vreugde is dubbele vreugde.