Categorie archief: het leven

Mijn eerste wapenstilstand

Mijn grootmoeder langs vaderszijde was geboren en getogen in Laarne. En zoals alle mensen uit Laarne die ik ken, was zij daar apetrots op, op “haar Laarne”. Toen ze met mijn grootvader trouwde, kwam ze bij hem inwonen in Heusden. Maar was het heimwee of de wens om verder bij haar schoonouders vandaan te wonen, dat weet ik niet. Feit is dat ze na de geboorte van mijn vader naar Laarne verhuisden.

Als ik de verhalen van mijn grootmoeder mag geloven, beleefde het gezin hoogdagen tijdens die jaren in Laarne, ondanks de depressie van de jaren 30 en de zware oorlogsjaren die daarop volgden. Moeilijke jaren vol angst, honger en onzekerheid met twee jonge kinderen en grootvader die opgeëist was door “den Duits”. Maar het was miserie die ook was doorspekt met veel gelukkige momenten en menselijke verbondenheid.

Toen ik geboren werd woonden mijn grootouders al enkele jaren terug in Heusden. Maar ik herinner me de vele koffiekransjes die mijn grootmoeder hield met haar bezoek uit Laarne. Koffiekransjes waarop meer jenever werd gedronken dan koffie … ik mocht als jong kind mee proeven van de dotskes: zelf bereide citroenjenever. Onvoorstelbaar dat grootouders toen met de beste bedoelingen hun kleinkinderen een glaasje alcohol aanboden. Geen haan die er naar kraaide, niemand die er aanstoot aan nam. Ik was een stil en schuchter kind, maar het schijnt dat ik volledig loskwam na één teugje van de dots te hebben gedronken. Daar herinner ik mij niets van.

Meet verliet niet graag haar huis, ze ontving liever elke dag gasten dan dat ze één keer op bezoek moest gaan. Enkel naar Laarne ging ze af en toe, te voet. En meestal mocht ik dan met haar mee, we stapten langs de verlaten sporen waar kort daarvoor nog de oude tram reed, recht naar Laarne! Op bezoek bij Gusta en Armand, bij “meetjen Rome” (met wie haar vader een relatie had nadat hij weduwnaar was geworden), bij Sule (zo noemde ze haar neef Achiel) of zijn zus Jeanne, bij haar nicht Mietje en nog vele anderen wiens naam en wiens bestaan ik ondertussen ben vergeten.

Het was in de tijd dat kinderen nog stil op een stoel moesten blijven zitten terwijl de grote mensen praatten. Als je geluk had, vroeg de gastvrouw of je dorst had of kreeg je een koekje, dat je enkel mocht aannemen nadat meet discreet van ja had geknikt. Sporadisch kreeg ik ook daar een druppeltje dots. Achteraf bekeken is het een wonder dat ik daaraan geen alcoholprobleem heb overgehouden.

Eén namiddag herinner ik me nog als was het gisteren. Op een 11 november, ik denk in 1963, mocht ik terug mee naar Laarne, bij een vriendin waar we volgens mij maar één keer op bezoek zijn gegaan. Onderweg kwamen we overal in het dorp mannen tegen in uniform of in strak kostuum, met veel medailles op de revers. Aan de kerk stond een trompettist (bugel, klaroen, trompet, cornet?) die een taptoe speelde waar mijn meetje de volgende woorden op zong: “kom ne keer buiten, kom ne keer buiten, kom ne keer bui-ten!” De mannen in uniform gingen keurig in de houding staan bij de trompettist en bleven daar zo een hele tijd ingetogen staan mijmeren.

Terwijl we bij de vriendin aan de koffietafel zaten, hoorden we om de zoveel tijd (om het uur?) hetzelfde trompetgeschal en gingen we aan de voordeur staan kijken hoe de oud-strijders uit verschillende huizen naar buiten kwamen en in de richting van het dorpsplein stapten. Het was een hele ceremonie, een hele namiddag lang. Zoiets heb ik later nooit meer meegemaakt. En het moet een diepe indruk op mij hebben achtergelaten, want ongetwijfeld is daar het zaadje ontkiemd van mijn latere interesse in beide wereldoorlogen.

Het was de eerste herdenking van wapenstilstand die ik bewust meemaakte, als zesjarige. Zo is nu elke 11 november voor mij een stille herdenking van mijn meet en haar Laarne.

(op de foto: mijn grootouders langs vaderszijde op hun gouden huwelijksjubileum)

Ik heb covid-19

De menselijke hersenen zijn geprogrammeerd om te reageren op gevaren die we met onze zintuigen kunnen vaststellen. Een loslopend wild dier, een brandgeur, een gewapende vijand, stormwinden en overstromingen … Wat we niet kunnen zien of rechtstreeks voelen, herkennen onze hersenen dan ook niet meteen als gevaarlijk.

Wellicht daarom dat covid-19 voor velen een ver van hun bed show is – of was. Tot iemand in hun omgeving ziek wordt of aan covid overlijdt. Of tot zij zelf aan den lijve ondervinden hoe ziek je er kan van zijn.

De “helden” (à la Trump) die verklaren dat het maar een griepje is en dat zij er op een paar dagen van genezen waren zouden er beter aan doen daar niet openbaar mee te lopen pronken. Hun cynisme is een doorn in het oog van de vele mensen die wel doodziek zijn, en al dan niet in het ziekenhuis zijn opgenomen. Akkoord, de ene is er zieker van dan de andere, want er spelen veel factoren mee, zoals leeftijd en medische antecedenten. Maar het is in geen geval een lachtertje!

Met corona is het als met de lotto: je moet twee keer geluk hebben. Met de lotto moet je de juiste cijfercombinatie gekozen hebben én je moet geluk hebben dat er een grote pot te verdelen valt over zo weinig mogelijk mensen. Met corona moet je geluk hebben van niet besmet te raken en als dat toch gebeurt, moet je het geluk hebben dat je een milde variant van het virus hebt en geen onderliggende aandoeningen die voor complicaties kunnen zorgen.

Over de lotto heb ik weinig te melden, maar over covid-19 mag ik wel mijn gedacht zeggen, nu ik aan den lijve heb ondervonden wat het virus met je doet.

En ja, ik had geluk! Ik testte positief maar diende niet te worden opgenomen. Waar ik het opliep, is een groot raadsel want we hadden de laatste weken onze contacten al beperkt tot het minimum omdat Ronny een zware verkoudheid had gehad (en ik dacht dat hij toen vatbaarder zou zijn), we zijn niet meer bij mijn ouders op bezoek geweest, de kleinkinderen niet meer gezien. En de weinige contacten die ik toch had, verliepen allemaal coronaproof.

Wie zal het zeggen … Het virus laat zich niet zien en meldt zich niet op voorhand aan!

Ruim een week na de eerste symptomen ben ik nog aan het uitzieken, de extreme vermoeidheid en de druk op mijn longen worden voorlopig niet beter. Wat me vooral bezighoudt is de schrik dat familie en vrienden ook ziek worden. We zitten als het ware gebarricadeerd in ons appartementje. En dat zal nog voor lange tijd zo zijn, want ondertussen werd lockdown 2.0 ingevoerd.

Wat een geluk dat we televisie en sociale media hebben. Alhoewel … wat daar wordt getoond is soms hemeltergend. Mensen die net vóór de lockdown nog in grote massa’s gaan samentroepen in winkelstraten “omdat het nog mag” – mensen die verklaren dat zij geen schrik hebben voor covid-19 en enkel een mondkapje dragen om niet beboet te worden – en in schril contrast daarmee de schrijnende beelden vanuit de ziekenhuizen en WZC’s …

Ik lees over complottheorieën, over ongenoegen met genomen maatregelen of boosheid omdat die maatregelen net niét of niet tijdig werden genomen. Iedereen lijkt te weten wat géén oplossing biedt, maar niemand biedt een pasklaar alternatief. Het is ook een complex gegeven, op elk gebied.

Er moeten nu eenmaal keuzes worden gemaakt om de wereld leefbaar te houden, door wetenschappers, politici en verzorgenden. Maar ik hoop dat deze laatsten nooit voor het dilemma zullen staan te moeten kiezen wie ze nog kunnen behandelen en wie een vogel voor de kat wordt.

De taak van de zorgsector weegt loodzwaar. En covid-19 maakt je ziek, doodziek. Maar nog altijd blijkt een deel van het mensdom het niet begrepen te hebben.

(© Afbeelding van Gerd Altmann via Pixabay)

Mijn Gent – enkele herinneringen

“Mijn” Gent klinkt bezitterig want neen, Gent is natuurlijk niet van mij – al voelt het af en toe wel zo aan want Gent is de stad waar ik geboren ben, waar ik school liep en mijn studententijd doorbracht, waar ik nachten lang uithing en waar ik meerdere stamkroegen had. De stad van “mijn” Gentse Fieste. De stad waar ik nu nog altijd graag naar terugkeer om er een concert, een toneelstuk of een musical bij te wonen. Of om er in de bibliotheek of in één van de vele boekenwinkels te vertoeven.

Mijn eerste herinneringen aan Gent dateren uit mijn prille kindertijd, toen ik een tweetal keer per jaar met mijn ma in Heusden de bus nam naar Gent Dampoort (de bus Gent-Wetteren). Vanaf de Dampoort gingen we te voet via Dampoortstraat, Steendam, Sint-Jacobs, Vrijdagmarkt, de Lange Munte en Groentemarkt naar de Korenmarkt.

Daar begon het shoppen pas. Eerst de Sarma binnen en daarna liepen we door alle grote winkels in de Veldstraat met als laatste de C&A – toen nog op het einde van deze straat. Als we hadden gekocht wat we nodig hadden – en dat was meestal zomerkledij rond Pasen en winterkledij rond Allerheiligen – stapten we het hele eind te voet terug tot de Dampoort, waar we op de bus huiswaarts moesten wachten. In mijn herinnering duurde dat wachten altijd heel lang. Doodmoe was ik daar elke keer van en ik ben ervan overtuigd dat die uitputtende winkelnamiddagen aan de basis liggen van mijn aversie voor shoppen. Ik ga nu nog maar enkel winkelen als ik echt iets nodig heb.

Soms namen we de bus naar Gent om iemand te bezoeken in één van de ziekenhuizen aan de Groenebriel. Toen mijn zus werd geboren (in kliniek De Heilige Familie of “de Briel”, nu Sint Lucas), namen mijn beide grootmoeders me elk afzonderlijk mee om ma en zusje in het moederhuis te gaan bezoeken. Met de ene grootmoeder nam ik daarvoor de gekende bus in Heusden, met de andere de tram in Melle.

Onderweg naar de Briel of naar Sint Vincentius werd me meermaals de Augustijnenkerk aangewezen waar ik destijds was gedoopt – ik werd in de Bond Moyson rechtover de kerk geboren.

Toen ik in 1969 was ingeschreven in Nieuwen Bosch fietste mijn vader met mij naar Standaard Boekhandel op de hoek van het Sint-Baafsplein en de Lange Kruisstraat. De bedoeling was daar mijn boeken voor het eerste jaar middelbaar te kopen en tegelijk mij een beetje vertrouwd te maken met Gent, want ik zou bij volgende bezoeken aan de boekenwinkel mijn plan moeten trekken, met de fiets of te voet. Ontelbaar veel uren heb ik later doorgebracht in deze boekhandel.

 ©  Gentdekuip.com

De eerste twee jaren op Nieuwen Bosch had ik een busabonnement, maar evident was dat niet. Ofwel was ik ‘s morgens al om 7u25 op school (en opvang was er niet voorzien in die tijd), ofwel pas om 8u30 en dat was dan weer te laat … Dus vanaf het derde jaar nam ik mijn toevlucht tot de fiets en de daarop volgende jaren fietste ik bijna dagelijks naar Gent, tot in 1979. Al had ik op het HIVET enige tijd een brommertje, een Flandria, die meer in panne stond dan dat ik er kon mee rijden.

Zaal Van Eyck – nu De Abt in de Lange Kruisstraat ( © beeldbank.stad.gent)

Het hoger onderwijs volgde ik dus aan het HIVET (Hoger instituut voor Vertalers en Tolken) dat eerst in het Klein Seminarie was gevestigd, later in de Brusselsepoortstraat. De studentenvereniging van de tolkenschool organiseerde één donderdagavond per maand een Thé Dansant. De eerste jaren was dat in café “Saint Tropez” bij Eugène op de Brabantdam, later eerst in de zaal van de Roode Hoed (Klein Turkije) en dan in het Middenstandshuis (toen heette het Zaal Van Eyck) in de Lange Kruisstraat, waar in die tijd nog altijd de Standaard Boekhandel was gevestigd op de hoek met het Sint-Baafsplein.

Ik herinner me een kerstvakantie, ik denk in 1977. Overdag moest ik blokken voor de tentamens in januari en elke avond ging ik met vrienden rond het haardvuur zitten in café De Martiko van Walter De Buck. Mooie avonden hebben we daar beleefd.

Na mijn studententijd bleef ik Gent trouw en al woonde ik er nooit, tijdens de Gentse Feesten leek het wel zo: onder de ochtend naar huis om een paar uur te slapen en in de late namiddag terug naar Gent. De stad en haar feesten zag ik jaar na jaar veranderen: van een volksfeest werden de Gentse Feesten een internationaal evenement, grootschaliger en anders maar daarom niet minder leuk.

De stad zelf werd “opgekuist”: er kwamen verkeersvrije straten, de oude gebouwen werden opgesmukt, de grote pleinen werden gezellige ontmoetingsplaatsen, de parkeerplaatsen moesten er plaats ruimen voor terrasjes en fonteinen. De draak op het Belfort werd opgeblonken en Gent ging terug schitteren als weleer. Er kwamen nieuwe projecten zoals de Gentse stadshal (Schaapstal) en het nieuwe gebouw waarin de bibliotheek werd gehuisvest (de Krook) beide opgehemeld door de ene en vergruisd door de andere.

 © De Abt

De zomer van 2020 was er een zonder Gentse Feesten, maar hier en daar werden er alternatieve, coronaveilige alternatieven op kleine schaal georganiseerd. Op een zomeravond hadden we een tafeltje gereserveerd voor een concert à la carte in het kader van de Artistieke Zomer van De Abt. Groot was mijn verbazing toen ik vaststelde dat De Abt is gehuisvest in het gebouw waar wij in onze studententijd onze Thé Dansants hadden, toen het Middenstandshuis nog Van Eyck heette. Vijfenveertig jaar later en pas nu ontdek ik de rijke geschiedenis van dit historisch belangrijke gebouw. (Zie: website van De Abt).

Tijden veranderen, mensen veranderen en ook Gent verandert constant. Maar mijn stad blijft me boeien en verbazen. En Gent laat me ook dromen, dromen van betere tijden … na corona.

Het leven na corona

Er werd mij gevraagd een tekstje te schrijven over hoe ik het leven zie na corona. Niemand kan voorspellen hoe de toekomst er zal uitzien, al zeker niet na de coronacrisis waarvan de gevolgen zich volgens mij nog heel lang zullen laten voelen. Ik heb me gewaagd aan een hoopvolle én aan een negatieve voorspelling …

De post-coronawereld waar ik van droom:

De lockdown deed vele mensen nadenken over de écht waardevolle dingen in hun leven en … dat waren geen dingen, maar mensen en tijd, al dan niet in combinatie met elkaar. Na corona groeit dit besef verder en neemt iedereen voldoende tijd voor zichzelf, voor familie en vrienden. Ze proppen hun agenda niet meer vol met vrijetijdsactiviteiten, waardoor ze constant van hot naar her moesten rennen en uiteindelijk voor veel dingen (en mensen!) geen tijd meer hadden. Ze wisselen nu de voortrazende kloktijd regelmatig af met periodes van innerlijke tijdsbeleving: ze beseffen dat “niets doen” óók iets doen is en dat dit zelfs de creativiteit aanscherpt.

Velen hebben de natuur herontdekt en gaan nog altijd regelmatig slenteren langs geurige veldwegen, wandelen door stille bossen, fietsen langs slingerende waterlopen. Doordat de industrie quasi stilviel, leefde de natuur een heel klein beetje op. We konden ervaren dat we de auto eigenlijk best wel eens kunnen missen, we kregen er zelfs wat frissere lucht voor in de plaats. Dit besef zette de beleidsmensen ertoe aan om voor de bescherming van het klimaat strenge maatregelen te treffen die vergelijkbaar zijn met die tijdens corona. Uiteraard moeten daarvoor offers worden gebracht, maar iedereen is zich bewust van de noodzaak, niet enkel voor zichzelf, maar ook en vooral voor de volgende generaties.

Bovendien is het beleid nu in niets te vergelijken met dat van voor en tijdens corona. In elk land werden de politieke structuren herbekeken en vereenvoudigd. Niet langer verschillende ministers op verschillende niveaus die allemaal voor hetzelfde bevoegd waren, maar een duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden. Beleidsmensen zijn nu ervaren vakmensen op het gebied van hun bevoegdheden en ze worden op basis daarvan verkozen. Partijkaarten en politieke kleur zijn van ondergeschikt belang, partijvoorzitters houden niet langer de politieke touwtjes in handen. De nadruk ligt op samenwerking en communicatie, op elk niveau worden op regelmatige basis controles en evaluaties ingepland. De beste stuurlui staan niet langer aan wal!

Er werd een duidelijke internationale wetgeving opgesteld voor verslaggeving en sociale media. Mensen kunnen niet langer anoniem hun zouteloze mening spuien, enkel onderbouwde meningen die met respect worden geuit, worden toegelaten. Deze mogen best negatief zijn of een aanklacht bevatten, maar fake news en respectloze beschuldigingen op basis van vooroordelen worden geweerd. Racisme en racistische uitspraken worden bestraft.

Het nieuwe beleid heeft ook een oplossing uitgewerkt voor de mensen die door corona, hetzij financieel, hetzij sociaal in de problemen zijn geraakt. Er is nu een gelijk basisloon voor iedereen, zonder uitzonderingen. Wie werkt krijgt daar bovenop een bonus die afhankelijk is van enkele factoren zoals opleiding, verantwoordelijkheid, noodzaak om flexibel te zijn enz. Ook het belastingsysteem werd herzien en er bestaan voortaan geen belastingparadijzen meer.

De wereld waar ik voor vrees:

Na de lockdown hernemen de meeste mensen hun leventje van vóór corona, met veel stress, jachtig nastreven van materieel welzijn en weinig oog voor het sociaal welzijn van de medemensen die het met minder moeten doen. Ieder voor zich wordt het motto van de westerse maatschappij.

Iedereen blijft consumeren en vervuilen, het wordt zelfs erger dan ooit. Klimaatactivisten worden beschouwd als onheilsprofeten, zelfs door de beleidsmensen voor wie postjes, macht en financiële belangen meer tellen dan de natuurrampen die ze voor hun nageslacht gaan achterlaten. Egoïsme ten top: après moi le déluge … en neem dit laatste maar gerust letterlijk.

Een deel van de mensheid ligt wakker en maakt zich zorgen om moeder aarde. Ze voelen zich machteloos omdat ze niets fundamenteels kunnen veranderen, ze vinden geen gehoor bij het beleid. Af en toe halen ze het nieuws, maar hun optreden wordt altijd in een slecht daglicht geplaatst. De media hebben het immers nog altijd voor het zeggen, of ze nu de waarheid geweld aandoen of niet.

Op het politieke vlak dreigen er constant oorlogen. Door gebrek aan communicatie en geïnspireerd door subjectieve berichtgeving, liggen staatshoofden voortdurend in de clinch. Bewapening wordt steeds belangrijker. Ze dreigen elkaars grondgebied in te nemen of te vernietigen. En daarbij vergeten ze dat de aarde geen hulp meer nodig heeft om ten onder te gaan. De natuur zal geen genade kennen.

Druk, druk, druk. Geen tijd want we moeten presteren om “er” te komen.

Waar willen we dan komen?

We blijven het antwoord schuldig.

Dit zijn twee extremen. Het onbereikbaar positieve en het te vrezen negatieve. Ik vermoed dat de toekomst ergens tussenin zal liggen, maar als het even kan, wens ik dat die toekomst zal lijken op deze waar ik zo hard mijn hoop op heb gevestigd.

Zoals het klokje thuis tikt

Mijn grootouders hadden drie regulateurs. Ik geloof dat mijn grootvader ze allemaal had gewonnen met het duiven melken, zijn duiven vlogen regelmatig in de prijzen. En toen bompa en bomma overleden waren, kregen mijn grootouders ook nog hun regulateur erbij. Deze was groter, steviger en sloeg elk kwartier, een Westminster dus.

Omdat niemand van de familie geïnteresseerd was in deze ouderwetse klokken, erfde ik er twee. Wat er met de andere twee is gebeurd, dat weet ik niet, ik vermoed dat ze op het containerpark zijn beland. Ik kon ze niet alle vier nemen, want Ronny had er ook al een geërfd van zijn ouders, maar deze is een tiental jaar geleden finaal stuk gegaan.

Toen we naar ons appartementje verhuisden, was daar geen plaats voor twee regulateurs. Maar van de Westminster kon ik geen afscheid nemen. Integendeel, ik bracht hem naar een klokkenmaker voor volledig nazicht en herstelling.

Door de coronamaatregelen duurde het twee maanden langer vooraleer ik mijn Westminster kon ophalen. Vorige week was het eindelijk zover: de klokkenwinkel in Zomergem mocht weer zijn deuren openen. Wat was de regulateur van mijn overgrootouders mooi geworden! Wijzerplaat, slinger en ruitjes mooi opgeblonken en nog belangrijker: de klok werkt nu perfect en slaat terug elk kwartier.

Het voelde aan als een plechtig moment toen we de Westminster in onze woonkamer aan de muur konden hangen. Ik kreeg er zowaar een krop van in de keel.

We hebben aan onze buren gevraagd of het klokgelui om het kwartier (zowel overdag als ‘s nachts) hen niet stoort. Gelukkig hadden ze het zelfs nog niet gehoord!

Als ik het aan mensen vertel, is hun reactie dat zo’n ding te veel lawaai maakt, maar voor ons is dat niet zo. Het brengt hier zelfs rust in huis. Er zijn er die denken dat ik zo blij ben omdat die klok veel geld waard is, maar ook dat is niet waar, ze heeft enkel nog emotionele waarde. En voor mij is die torenhoog.

Onlangs las ik “Stil de Tijd” van Joke Hermsen. In dit boek pleit de auteur voor onthaasting en voor een langzamere toekomst. Ze maakt het onderscheid tussen de voortrazende kloktijd en onze innerlijke tijdsbeleving. De Grieken noemden deze respectievelijk Kronos en Kairos. De eerste staat voor de kloktijd, de reële tijdsmeting. Kairos staat voor de tijd zoals wij hem ervaren : de tijd die vliegt als je met iets leuks bezig bent, en kruipt als je moet wachten op iets.

Tot net voor corona leefden we in onze maatschappij bijna uitsluitend op het ritme van Kronos: alle uren van de dag mooi ingepland, zelfs de vrije tijd werd volgepropt met activiteiten en het resultaat: iedereen had tijd te kort – druk, druk, druk! We leken wel bang om even niets te doen, elk vrij moment in onze agenda moest optimaal worden benut.

Nochtans is bewezen dat het loont om af en toe verveling of nietsdoen toe te laten. Hermsen zegt hierover: “Vandaar dat een idee of oplossing je vaak pas te binnen schiet als je onder de douche staat, even op de bank gaat liggen of een wandeling maakt, kortom als je niet doelgericht en actief met iets bezig bent en je overgeeft aan de verveling.”

Als corona ons iets geleerd heeft, is het dat we ook anders met tijd kunnen (en moeten) omgaan. Ik hoor veel mensen zeggen dat ze nu hun tijd anders ervaren, dat ze zelfs minder tijdsbesef hebben: ze bedoelen geen besef van de Kronos tijd.

Uiteraard is Kronos tijd belangrijk in onze huidige samenleving. Hoe zouden we anders met elkaar afspraken kunnen maken, school- en werktijden regelen enz. De kunst is een gezonde balans te vinden tussen Kronos en Kairos. En ik hoop dat we daar na corona allemaal in slagen, als mens én als samenleving.

Sedert we in Massemen wonen, heb ik onbewust geprobeerd dit evenwicht te vinden. Loskomen van de kloktijd en open staan voor een andere beleving van tijd. Dat laatste zou een voorwaarde voor creativiteit zijn.

En tegelijk zit ik hier nu met een Westminster die puur Kronos is en die zich elk kwartier laat horen. Alhoewel net dit me laat beseffen hoe relatief het begrip “tijd” is. Soms denk ik: is er alweer een kwartier verstreken? Op een ander moment schrik ik dat het al zo laat is en heb ik het gevoel dat ik het slagwerk van de laatste paar uur niet eens heb gehoord. Ik ben op zo’n moment zelfs al eens gaan kijken of de klok niet was stilgevallen.

‘s Morgens vroeg hoor ik de vogels door het open raam kwetteren en binnen is er het zachte tikken van onze klok, als de hartslag van het verleden. De herinnering aan mijn (over)grootouders. En dan weet ik dat het goed is. Dit is thuis, waar het klokje tikt als nergens anders.

Afscheid van Rita

De dag van je begrafenis. Op weg er naartoe een heftige wind, even heftig als jij in je reacties kon zijn. Maar ook af en toe een deugddoend zonnestraaltje.

De dag van je begrafenis. Niet volledig zoals jij ze tot in detail had voorbereid. Maar veel intiemer, met enkel je kinderen en kleinkinderen, je broer, schoonzussen en schoonbroer, je nichtje, je beste vriendin-schoondochter, twee trouwe vrienden en ikzelf. Meer mensen liet corona niet toe.

Het was een intieme plechtigheid met veel persoonlijke getuigenissen, waarvan ik er enkele voorlas – voor wie het emotioneel niet aankon dat zelf te doen. Er werden veel traantjes weggepinkt, vooral als de kleinkinderen aan het woord kwamen. De oudste kleinzoon kende je op zijn duimpje, er werd hier en daar instemmend geglimlacht toen hij zei: “en als het u niet aanstond hadden we het allemaal wel geweten.”

Dominique noemde jou de sterkste vrouw die ze ooit heeft gekend, voor de buitenwereld een harde tante, maar achter die ruwe bolster zat een klein hartje. Je was, zoals David je beschreef: een robuuste maar tegelijk een zeer kwetsbare dame.

Jouw broer omschreef treffend hoe jij op de diagnose van ongeneeslijke kanker reageerde: “u hebt dat gelaten aanvaard alsof het iets doodgewoons was. Nooit heb ik u horen klagen en u had zelfs de moed om uw eigen begrafenis tot in de puntjes te regelen. Persoonlijk had ik het daar veel moeilijker mee dan u.”

De getuigenis van Evelyne was voor mij het moeilijkst om voor te lezen, Rita. Jij hebt de laatste twee maanden, tot twee dagen na jouw verjaardag eind april, bij Evelyne en haar gezin ingewoond. In elk woord, in elke zin klonk een eindeloos verdriet en gemis voor haar “moederke”. Jij vertelde mij herhaaldelijk hoe dankbaar je was voor alles wat jouw dochter voor jou gedaan heeft.

De muziek die jij zelf gekozen had, Rita, zal me voortaan altijd aan jou doen denken. Het is de muziek waar jij de laatste maanden herhaaldelijk, bijna constant, naar luisterde.

Ik ben de familie heel dankbaar dat ik mocht aanwezig zijn op jouw afscheid. En wel hierom:

In de kerstperiode nodigde Rita me uit op de koffie. Ze vertelde mij dat ze haar begrafenis aan het voorbereiden was. Ze had brieven geschreven aan de kleinkinderen, de muziek gekozen voor haar afscheid, en met de begrafenisondernemer waren er ook al afspraken gemaakt. Maar er was nog één iets niet in orde en daar kon ik haar mee helpen, zei ze.

Ze zei dat er nog een paar mensen waren die ze tijdens de afscheidsdienst wou bedanken en aangezien zij dat op dat moment zelf niet meer zou kunnen (zo zei ze het letterlijk!), vroeg ze aan mij haar woorden te noteren en ze tijdens de begrafenis voor te lezen.

Toen ik haar een laatste keer ging bezoeken, die laatste zondag dat ze bij Evelyne & David thuis was, fluisterde ze me toe: “Linda, niet vergeten wat ik u gevraagd heb hé.” Ik begreep niet alles wat ze me tijdens dat laatste bezoekje vertelde, maar deze woorden waren klaar en duidelijk, want die bedanking was o zó belangrijk voor haar.

Zo heb ik mijn laatste belofte aan jou kunnen nakomen, Rita. En het is weer typisch jou hé, dat je het laatste woord moest hebben, zelfs al was je er fysiek niet meer.

Tussen de foto’s die werden geprojecteerd, was er eentje waar wij met ons twee op staan, allebei nippend aan een cocktail. Ik herkende de foto onmiddellijk: twintig jaar geleden, in Turkije. Ik koester duizenden mooie momenten die we samen hebben gedeeld met onze “mannen van de Filliers-club” Herman en Ronny. Herinneringen niet alleen aan de Kouterslag, maar ook aan de bezoekjes bij elkaar thuis en aan onze vakanties samen.

Het onverwachte overlijden van Herman zes jaar geleden kwam voor iedereen hard aan, maar voor jou het meest. Nu zijn jullie weer dicht bij elkaar.

Het afscheid van jou voelt aan als de laatste bladzijde lezen van een prachtig boek. Met veel spijt dat het uit is, maar met dat grote verschil dat je een boek wel kan herlezen.

Het verhaal dat wij samen mochten beleven, dat is ten einde. Maar troost je: het was een prachtig en uniek verhaal, om nooit meer te vergeten.

Dank voor alles, moeke Rita. Ik ben blij dat ik je vriendin mocht zijn.

Terug naar Eden

Als kind had ik heel vaak het gevoel dat ik in een tuin van Eden leefde.

Tot mijn zevende was ik enig kind en mijn ouders werkten allebei in een ploegensysteem. Dus woonde ik een groot deel van de tijd bij mijn grootouders (langs vaders kant). Zij hadden een grote moestuin en een “land”. Dit land was een stuk akker dat ze van een naburige boer mochten gebruiken, of huurden – dat weet ik niet precies. Mijn grootvader nam me regelmatig mee naar het land. We vertrokken – naar gelang het seizoen – met zaad- en plantgoed of met rieten loofmanden, ook harken en spades die pepe over zijn schouders meedroeg. Soms mocht ik in een mand zitten en droeg hij me zo mee. Ik vond het heerlijk daarin mee te deinen op de maat van zijn stappen.

In mijn herinnering is het altijd zomer. We stappen langs een wegeltje tussen het akkerland en de moestuinen van de buren naar de achterkant van de akker. Op deze akker staan afwisselend het ene jaar aardappelen en het andere jaar koren. Het ruikt er heerlijk, de hitte zindert boven de korenaren en ik hou van het blauw van de bloemen, korenbloemblauw. Op terugweg naar huis mag ik een ruikertje plukken. Ik wil er ook rode klaprozen bij en begrijp niet waarom de rode blaadjes altijd loslaten van zodra het steeltje wordt geplukt.

Het ruikertje is voor mijn overgrootmoeder, bij wie we dagelijks langs gaan. Ze is de pleegmoeder van mijn grootvader en zij woont samen met zijn vader, mijn bompa, in een huisje met een prachtige tuin. Eigenlijk zijn het drie tuinen: in deze dicht bij het huis staan twee kerselaars, een met witte kersen en een met donkerrode. Daaronder een houten bank waarop we gaan zitten om koffie of limonade te drinken. Ik krijg bij elk bezoek een snoepje van “Bomma Spek” en zij zet mijn bloemen altijd onmiddellijk in een vaasje, haar tuintje en keuken staan vol bloempotten die ze zelf heeft geschilderd, met bolletjes in verschillende kleuren. De andere tuin is bompa zijn domein: een moestuin waar alles netjes in bedden groeit. Tussen die twee tuinen staat een duivenhok van mijn grootvader. Die duiventil is de reden van de dagelijkse bezoekjes. Helemaal achteraan is het derde gedeelte van de tuin, waar enkel hoge sparren staan, met er middenin een overdekte houten bank. Daar is het ‘s zomers zalig zitten als het zachtjes regent en de natuur bedwelmend geurt.

Enkele maanden geleden zijn we verhuisd naar “de buiten” dicht bij de Watermolen te Massemen. En hier komen alle geuren en kleuren van vroeger, alle herinneringen terug tot leven. Na honderd meter wandelen loop ik tussen de velden en weiden, ik zou er kunnen over grachten springen – zoals vroeger met de buurjongens van mijn grootouders.

Het is een feest de natuur te zien ontwaken na de kale winter, vanuit mijn zetel zie ik door het grote raam veel vogels vliegen, een koppel eksters maakt een nest in een populier. Bij de watermolen zien we af en toe de ijsvogel, de torenvalk cirkelt soms hoog in de staalblauwe lucht. Ik geniet van de romig witte en donkergrijze wolken die prachtig contrasteren. Als het regent, gaan de vensters open om de geur van de natuur binnen te laten. Ik volg ‘s avonds de maan en denk aan mijn grootvader, die pas zaaide of oogstte als de maan “goed zat”.

De lievelingsbloemen uit mijn jeugd bloeien nu in ons kleine tuintje: viooltjes, fuchsia en blauwe druifjes. Ik leef te midden van de geuren en kleuren die me als kind omringden. En ik denk heel vaak aan mijn grootouders, wiens naam we ons hebben aangemeten: nu zijn wij op onze beurt meme en pepe.

De cirkel is rond. Ik waan me weer in Eden.

Een nieuwe start

We zouden ons huis verbouwen, het aanpassen aan de noden van Ronny en aan de blijvende gevolgen van zijn herseninfarcten van enkele jaren geleden. Maar toen we in augustus op reis waren in het fantastisch mooie Kreta, kreeg Ronny daar verlammingsverschijnselen. Bij thuiskomst begaven we ons dus zo goed als rechtstreeks naar de spoeddienst. Daar werd een subduraal hematoom vastgesteld (bloeding tussen schedel en hersenvlies), acht dagen later volgde een schedelboring.

Ronny bleef last ondervinden met trappen, maar er was geen mogelijkheid om onze slaapkamer naar het gelijkvloers te verhuizen. We zagen het ineens ook niet meer zitten om enkele maanden op een bouwwerf te wonen … Het vooruitzicht van een comfortabeler huis werd overschaduwd door het stof van de verbouwingen die maar een halve oplossing zouden brengen. Ook het onderhoud van onze grote tuin begon zware inspanningen te vergen.

Dus namen we samen het besluit het huis waar we meer dan veertig jaar hebben gewoond, te verkopen en naar een appartementje op zoek te gaan. Toen kwam alles in een stroomversnelling … via internet vonden we een nieuwbouw appartement op het gelijkvloers, met een groot terras en een klein tuintje. Jammer genoeg lag dit appartement niet in Melle, waar we graag hadden willen blijven wonen, maar in Massemen. We zagen echter al heel snel de voordelen: een rustige en groene omgeving op de buiten, het gebouw telt slechts vier wooneenheden en we komen hier niet elke keer in een file terecht bij het uitrijden van onze straat.

Ons huis in Melle werd te koop gesteld en ‘s anderendaags was de verkoop ervan al rond.

En toen begon het grote werk: alles klaarmaken voor de verhuis. Elke dag haalde ik een kast leeg en bewaarde daarin enkel wat ons nog kon dienen. In het begin was dit heel moeilijk, ik ben namelijk nogal een verzamelaar. Maar deze vuistregel bracht soelaas: alles wat we het afgelopen jaar niet nodig hadden, zullen we de komende jaren wellicht ook niet gebruiken. Minstens één keer per week reden we met een volgeladen auto naar het containerpark, twee maanden lang. Wat nog bruikbaar was werd naar de kringwinkel gebracht of via de “gift” pagina’s van facebook weggegeven. Wat overbleef, werd in dozen gestoken. Meer dan twintig dozen met boeken werden als eerste naar de nieuwe woning gevoerd, waar ze een plaatsje kregen in de kamer die ik als bureau-leeskamer heb ingericht.

Op 23 december was de verhuis van de kasten, tafel en stoelen, wasmachine en andere grote stukken gepland. Toen woonden we al een week in Massemen, vanaf de dag dat ons bed en de zetels er waren geleverd. Diezelfde middag was alles overgebracht en kon ik beginnen aan het leegmaken van de vele dozen en het vullen van de kasten.

En toen volgde het emotioneel zwaarste moment: de opkuis van ons huis in Melle en het afgeven van de sleutels aan de nieuwe eigenaar.

Enkele vrienden hadden aangeboden te helpen, met mijn zus was afgesproken dat we samen de opkuis zouden doen op de laatste maandag van 2019. Maar dezelfde ochtend ben ik er op mijn eentje aan begonnen, ik wou dit graag zelf doen. Een laatste keer alles poetsen. Terwijl ik eraan bezig was, dacht ik dat het vergelijkbaar was met het afleggen van een overledene, die wordt ook een laatste keer grondig gewassen … Ik waste mijn oud huis met kraantjeswater vermengd met traantjeswater. In elke kamer wiste ik de sporen van mezelf en mijn man, van onze kinderen en kleinkinderen. En alle mooie herinneringen nam ik met me mee naar ons nieuwe nestje.

Drie maand geleden werd de beslissing genomen. Vandaag wonen we er al bijna een maand. Het gevoel zit goed: dit wordt een nieuwe thuis voor ons.

Een nieuw jaar, een nieuw decennium, een nieuwe start.

Het leven is (soms) klote

Dinard1Er zijn zo van die dagen. Het ene droeve bericht na het andere. Bij het eerste slik je even en je moet alweer vooruit, de plicht roept – weet je wel! Maar na drie onheilstijdingen op één voormiddag hield ik het gisteren voor bekeken.

Heeft het met ouder worden te maken of is het een kwestie van pech, ik weet het niet. Maar er gaat geen dag meer voorbij zonder nieuws over ernstige ziektes en overlijdens in onze naaste omgeving. Tantes en nonkels, vrienden, buren, kennissen … En dan heb ik nog het geluk – ik durf het haast niet schrijven – dat mijn ouders nog in leven en in redelijk goede gezondheid zijn, dat mijn kinderen, kleinkinderen en mijn zus het goed stellen. Want o wee als hen iets raakt!

Tot nu toe was ik niet bang voor de dood. Wel voor de dood van andere mensen, maar niet voor mijn eigen dood. Ik kan me zelfs levendig voorstellen dat oude en zieke mensen naar de dood verlangen omdat die bevrijding brengt. Tot ik me gisterenavond realiseerde dat mijn overlijden anderen verdriet gaat doen. Maar dat is dan ook het enige wat mij aan de dood afschrikt.

Ziekte, daar ben ik bang voor. En dan bedoel ik een levensbedreigende of levensbeperkende ziekte, waardoor je afhankelijk wordt van anderen en niet meer voor jezelf kan zorgen, laat staan voor anderen.

Ik wil mijn vrijheid niet verliezen door een ziekte die mij treft, ik wil niemand tot last zijn. Vandaar wellicht de lichte paniek bij de ongemakken waar ik de laatste weken en maanden mee te maken krijg. Ongemakken die in het niets verdwijnen vergeleken bij de ziektes die anderen om me heen treffen. Maar die me toch wel ongerust maken, omdat ze ernstige gevolgen kunnen hebben als ik niet goed voor mezelf zou zorgen.

Zo maalt het in mijn hoofd tijdens slapeloze nachten. Nachten met wolkbreuken en onweersbuien.  Nachten waarin ik me afvraag waar wij mensen mee bezig zijn? We rennen rond als kippen zonder kop, we vergeten te genieten of we hebben geen tijd om er voor elkaar te zijn. We leven in een trieste wereld.

61 jaar heb ik erover gedaan om me dit te realiseren: geluk vult meestal slechts één moment, verdriet het hele leven.

Afscheid van Johan

We wisten het al een hele tijd: dit komt niet meer goed, dit eindigt met de dood. Maar zoals jij bleef vechten tegen jouw ziekte, werd ook bij ons de twijfel groot. Ook al wisten wij beter, elke keer lieten wij ons door jou overtuigen dat het weer in orde komen zou. Maar je hebt je strijd gestreden en eigenlijk nog onverwacht liet jij het leven los. Zacht, stil, eenvoudigweg. Zoals jij was.

Ik dacht: ik heb al veel vrienden verloren, ook dit kan ik wel aan. Maar nu besef ik: er zijn vrienden en vrienden. Er zit gradatie in vriendschap. En daar schrok ik van. Wat een pijn, wat een verdriet, ik kan aan niets anders denken. Het is een rauwe spijt om woorden die niet zijn gezegd, om de laatste belofte die ik niet meer kan waarmaken, om het afscheid dat geen afscheid is geweest. Verdriet om het verdriet van Roseline, Peter en Sarah, om je kleinzoontjes die je nu al moeten missen, veel te vroeg. Verdriet om de vele plannen die wij vieren nog samen hadden. Het is allemaal voorbij.

Je koos een mooie dag om te gaan, een koude wintermiddag met volop zon. Een blauwe hemel. Ook terwijl ik dit in tranen schrijf, schijnt de zon door mijn raam. Ik heb foto’s zitten kijken, van de vele uitstappen en reisjes die wij vieren hebben gemaakt, van de leuke momenten bij elkaar thuis, van de feestjes die we al die jaren samen vierden.

Nu kan ik al weer een beetje glimlachen als ik aan jou denk. Uit dankbaarheid om die vele jaren vriendschap, om het besef dat wij ons gelukkig mogen prijzen dat we jou als vriend mochten hebben. Niet iedereen heeft het geluk in zijn leven iemand als jij te ontmoeten.

Ik koester de vele herinneringen. De korte sms’jes die zo veelzeggend waren, zoals: apero? Onze gemeenschappelijke interesses wat muziek en cultuur betreft, onze babbels over wat er in de wereld gebeurt, onze belangstelling voor de herdenking van de oorlogen, onze etentjes en kroegentochten, het vertellen over de kinderen en kleinkinderen die ons zo nauw aan het hart liggen, onze jaarlijkse uitstap naar de Gentse Feesten, … Ik schrijf het op zoals het me te binnen schiet. We moeten dankbaar zijn voor zoveel mooie momenten. Maar net daarom doet het ook zoveel pijn.

Je hebt mijn vriendin veel gelukkige jaren gegeven en ook daar zijn we jou dankbaar voor. Het is een cliché dat de beste koppels vroegtijdig door ziekte en overlijden uit elkaar worden gehaald, maar een cliché is al te dikwijls de pijnlijke waarheid.

Ik weet dat je niet gelooft in god en in de hemel. Maar als iemand hier op aarde zijn hemel heeft verdiend, dan ben jij het wel. Je leeft in elk geval verder in ons hart en in onze gedachten. Wij zullen hier zorg dragen voor jouw Roseline en we zullen Emiel en Guust heel veel over jou vertellen.

Dag Johan, wij houden nog altijd zielsveel van jou!

Ik mis je – Herman Van Veen Een liedje ten afscheid, voor jou.