Auteursarchief: lindadegeest

Nieuwjaarsbrief

Het jaar 2020 loopt op zijn laatste benen en er zijn al veel wensen uitgewisseld voor een nieuw, beter jaar waarin alles terug normaal wordt. En daar heb ik het een beetje moeilijk mee: normaal? Waren wij voordat de pandemie uitbrak, dan normaal bezig? Ik dacht het niet!

De wereldbevolking is al meer dan verdubbeld sedert ik werd geboren, in 1957. Over een dertigtal jaar zullen we met ongeveer negen miljard zijn (volgens schatting van de VN) en dat is echt te veel om in de basisbehoeften van elk van die negen miljard mensen te voorzien. Met basisbehoefte bedoelen wij dan een minimale, sobere levensstijl. Niet dat er nu geen probleem is op dat gebied: er is nu nog wel voldoende maar niet voor iedereen. De rijkdom is slecht verdeeld en bovendien leven wij in het Westen op een manier die we geen tientallen jaren meer kunnen volhouden. Wij misschien wel, maar onze aarde zeker niet.

Door de covid-19 pandemie lijken alle andere problemen naar de achtergrond te zijn geschoven, zoals bijvoorbeeld de opwarming van de aarde. Ons economisch systeem draait vierkant: er moet steeds méér zijn, meer productie, meer winst … jaar na jaar. Dat is niet vol te houden, die ongebreidelde groei heeft consequenties voor onze aarde en uiteindelijk ook voor het voortbestaan van de mensheid.

Onze politieke systemen zijn gebaseerd op macht, aanzien en op geld. Hoewel het grote geld momenteel meer bij multinationals, farmaceutische bedrijven en vermogende potentaten zit en veel minder bij de politieke systemen en beleidsmensen. Deze laatsten zijn nu op hun beurt min of meer afhankelijk geworden van de firma’s en de personen die het geld – en dus macht – hebben, met alle gevolgen van dien. België is niet het enige land dat stilaan onbestuurbaar is geworden, de hele wereld is in hetzelfde bedje ziek.

Ik las deze week een stelling van de schrijver Ilja Leonard Pfeijffer:

‘Ik hoop dat we met het vaccin niet vervallen in een overwinningsroes en zo snel mogelijk terugkeren naar hoe het vroeger was. We hebben geleerd dat we als maatschappij in staat zijn tot verregaande maatregelen als we de urgentie van het probleem begrijpen. De coronacrisis was in die zin een generale repetitie. De echte uitdaging is het redden van onze planeet.’

Dat is dan ook mijn grootste wens voor het nieuwe jaar, en voor alle daarop volgende jaren: dat we onze les geleerd hebben uit het rampjaar 2020. Dat wil zeggen dat we ons niet langer vastklampen aan de ongebreidelde groei van onze westerse economie, dat we onze verantwoordelijkheid gaan nemen om een leefbare wereld achter te laten voor onze kinderen en kleinkinderen, dat we soberder en duurzamer gaan leven. Dat we kappen met een maatschappij van hebzucht, egoïsme, angst, macht en bemoeizucht.

Gemakkelijk zal dat niet zijn en het zal grote offers vragen, zeker voor wie in luxe kon leven tot nu toe, maar de pandemie heeft ons geleerd dat we in staat zijn tot offers.

Tijdens de lockdowns gingen we massaal wandelen en fietsen, velen (her)ontdekten de schoonheid van de natuur in eigen streek. Er werd meer aandacht besteed aan gezonder eten, aan bewegen, aan de eenvoudige geneugten des levens. Er werden minder niet-essentiële verplaatsingen met de wagen gemaakt. Enkele goede gewoontes die we kunnen volhouden.

Laat ons vooral ophouden met negatieve kritiek te geven op alles en iedereen. Laat ons ophouden te verwachten dat de overheden voor alles een oplossing moeten bieden. Laat ons ophouden met denken dat wij er niets aan kunnen veranderen. Want dat kunnen we wel, allemaal samen.

Laat ons daarom klinken op de eerste dag van het nieuwe jaar, met bubbels in onze bubbel: dat 2021 een positief jaar wordt, waarin we allen samen gaan werken aan de redding van onze planeet.

Gelukkig nieuw jaar!

De zin van mijn leven

Neen hoor, dit wordt geen zwaar filosofisch pamflet! Het gaat over woorden die op een bepaald ogenblik zin gaven of geven aan je leven. En over een project van Gent Leest.

Twintig bekende en minder bekende Gentenaars (stadslezers) deelden een zin uit een boek, gedicht, film, song… die hun leven een beslissende draai gaf. Een zin waar ze altijd om moeten glimlachen of die ze koesteren wanneer het even moeilijk gaat. En deze zinnen werden op de vensters van De Krook geschilderd. Tot mijn (zeer aangename) verrassing werd ook mijn zin hiervoor gekozen:

We all have our time machines, don’t we? Those that take us back are memories … And those that carry us forward, are dreams.

(H.G. Wells, The Time Machine)

Vertaling: We hebben allemaal onze tijdmachines, nietwaar? Degene die ons terughalen zijn herinneringen, en degene die ons vooruit helpen, zijn dromen.

Ik kreeg hierop veel leuke reacties. Iemand dacht zelfs dat ik die zin zelf had geschreven – was het maar waar! Ze komt uit de sciencefiction roman The Time Machine van Herbert George Wells.

Deze zin koos ik niet lukraak. Het gegeven “tijd” houdt me al langer bezig (cfr. Zoals het klokje thuis tikt). Het “nu” wordt – terwijl we het leven – onmiddellijk onomkeerbare verleden tijd, we balanceren constant tussen verleden en toekomst in. Het “nu” ontglipt ons en wordt instant herinnering. Zeker in deze onzekere coronatijden zijn er veel mensen die herinneringen gaan koesteren, meer dan voorheen. Of mensen die dromen en plannen willen maken voor een onzekere toekomst.

Als er één uitvinding is waar ik naar verlang, is het de tijdmachine. Niet om naar de toekomst te reizen, de toekomst is maakbaar, zij het met vele beperkingen en voorwaarden. Maar omdat ik enorm nieuwsgierig ben naar het verleden. Niet om dit te veranderen of erop in te grijpen, dat in geen geval. Dit zou zelfs nooit mogelijk mogen zijn want de mens kennende: er zou nogal gesjoemeld worden! Maar wel om als toeschouwer naar bepaalde periodes te reizen, te observeren en te leren.

Uit nieuwsgierigheid naar bepaalde historische figuren én naar het leven van de eigen voorouders. Steeds vaker besluipt mij de gedachte aan gemiste kansen. Terwijl ze nog leefden, stelde ik te weinig vragen aan mijn (over)grootouders of ik luisterde verveeld naar altijd dezelfde verhalen die ze vertelden, zonder door te vragen … Nu zou ik een stuk van mijn leven geven voor nog één moment met hen, om mijn vragen te kunnen stellen. Maar dit zal altijd een droom blijven.

Het zijn niet enkel de mensen uit het verleden die me intrigeren, maar ook de omstandigheden waarin ze leefden, de landschappen in die tijden … Ik herinner me nog goed dat Ronny en ik eens in de buurt van Zichem waren en we besloten het dorp van Ernest Claes te gaan bezoeken. In ons jeugdig enthousiasme hadden we ons voorgesteld dat we taferelen of gebouwen zouden aantreffen uit het boek of de film “De Witte”. Maar ook in Zichem was de tijd niet blijven stilstaan en het waren slechts enkele prenten uit de film die aan de muren van een café prijkten, die aan Ernest Claes herinnerden. We waren allebei teleurgesteld. Hadden we dan echt verwacht het huis van pastoor Munte, de hoeve van Boer Coene, het Wazinghuis aan te treffen zoals die er honderd jaar geleden uitzagen? Daarvoor hadden we een tijdmachine nodig gehad.

Maar wellicht is het verlangen naar tijdmachines iets typisch voor kinderen en ouder wordende mensen? Eigenlijk hoop ik niet echt dat deze uitvinding gerealiseerd wordt, de mensheid zou er misbruik van maken, vrees ik. Laat het maar een droom blijven. Iets voor later.

De stadslezers

Ter info: de Gentse stadslezers zijn boekenwurmen die op www.gentleest.be tips geven of een recensie schrijven over hun favoriete auteurs, boeken of leesplekken.

Wie de andere 19 zinnen wil zien, kan daarvoor tot 3 januari terecht aan de buitenkant van bibliotheek De Krook of op de faceboekpagina https://www.facebook.com/groups/gentleeststadslezers (artikel: De zin van mijn leven fotosessie).

Mijn eerste wapenstilstand

Mijn grootmoeder langs vaderszijde was geboren en getogen in Laarne. En zoals alle mensen uit Laarne die ik ken, was zij daar apetrots op, op “haar Laarne”. Toen ze met mijn grootvader trouwde, kwam ze bij hem inwonen in Heusden. Maar was het heimwee of de wens om verder bij haar schoonouders vandaan te wonen, dat weet ik niet. Feit is dat ze na de geboorte van mijn vader naar Laarne verhuisden.

Als ik de verhalen van mijn grootmoeder mag geloven, beleefde het gezin hoogdagen tijdens die jaren in Laarne, ondanks de depressie van de jaren 30 en de zware oorlogsjaren die daarop volgden. Moeilijke jaren vol angst, honger en onzekerheid met twee jonge kinderen en grootvader die opgeëist was door “den Duits”. Maar het was miserie die ook was doorspekt met veel gelukkige momenten en menselijke verbondenheid.

Toen ik geboren werd woonden mijn grootouders al enkele jaren terug in Heusden. Maar ik herinner me de vele koffiekransjes die mijn grootmoeder hield met haar bezoek uit Laarne. Koffiekransjes waarop meer jenever werd gedronken dan koffie … ik mocht als jong kind mee proeven van de dotskes: zelf bereide citroenjenever. Onvoorstelbaar dat grootouders toen met de beste bedoelingen hun kleinkinderen een glaasje alcohol aanboden. Geen haan die er naar kraaide, niemand die er aanstoot aan nam. Ik was een stil en schuchter kind, maar het schijnt dat ik volledig loskwam na één teugje van de dots te hebben gedronken. Daar herinner ik mij niets van.

Meet verliet niet graag haar huis, ze ontving liever elke dag gasten dan dat ze één keer op bezoek moest gaan. Enkel naar Laarne ging ze af en toe, te voet. En meestal mocht ik dan met haar mee, we stapten langs de verlaten sporen waar kort daarvoor nog de oude tram reed, recht naar Laarne! Op bezoek bij Gusta en Armand, bij “meetjen Rome” (met wie haar vader een relatie had nadat hij weduwnaar was geworden), bij Sule (zo noemde ze haar neef Achiel) of zijn zus Jeanne, bij haar nicht Mietje en nog vele anderen wiens naam en wiens bestaan ik ondertussen ben vergeten.

Het was in de tijd dat kinderen nog stil op een stoel moesten blijven zitten terwijl de grote mensen praatten. Als je geluk had, vroeg de gastvrouw of je dorst had of kreeg je een koekje, dat je enkel mocht aannemen nadat meet discreet van ja had geknikt. Sporadisch kreeg ik ook daar een druppeltje dots. Achteraf bekeken is het een wonder dat ik daaraan geen alcoholprobleem heb overgehouden.

Eén namiddag herinner ik me nog als was het gisteren. Op een 11 november, ik denk in 1963, mocht ik terug mee naar Laarne, bij een vriendin waar we volgens mij maar één keer op bezoek zijn gegaan. Onderweg kwamen we overal in het dorp mannen tegen in uniform of in strak kostuum, met veel medailles op de revers. Aan de kerk stond een trompettist (bugel, klaroen, trompet, cornet?) die een taptoe speelde waar mijn meetje de volgende woorden op zong: “kom ne keer buiten, kom ne keer buiten, kom ne keer bui-ten!” De mannen in uniform gingen keurig in de houding staan bij de trompettist en bleven daar zo een hele tijd ingetogen staan mijmeren.

Terwijl we bij de vriendin aan de koffietafel zaten, hoorden we om de zoveel tijd (om het uur?) hetzelfde trompetgeschal en gingen we aan de voordeur staan kijken hoe de oud-strijders uit verschillende huizen naar buiten kwamen en in de richting van het dorpsplein stapten. Het was een hele ceremonie, een hele namiddag lang. Zoiets heb ik later nooit meer meegemaakt. En het moet een diepe indruk op mij hebben achtergelaten, want ongetwijfeld is daar het zaadje ontkiemd van mijn latere interesse in beide wereldoorlogen.

Het was de eerste herdenking van wapenstilstand die ik bewust meemaakte, als zesjarige. Zo is nu elke 11 november voor mij een stille herdenking van mijn meet en haar Laarne.

(op de foto: mijn grootouders langs vaderszijde op hun gouden huwelijksjubileum)

Mijn zoon, mijn monster – Ingrid Verhelst en Herman Van Nazareth

Ik had het voorrecht Ingrid Verhelst te leren kennen bij een schrijfoefening tijdens de eerste lockdown in maart: een online project waarbij elke deelnemer een rol kreeg toebedeeld en een korte situatieschets. Niemand wist wie zijn tegenspelers waren, pas toen het project ten einde liep, maakten we kennis met elkaar in een – met dank aan corona – zoomsessie.

Het verhaal (de briefromance) kwam tot stand door de brieven/mails die de deelnemers naar elkaar stuurden, al dan niet getriggerd door hints of beeldmateriaal dat ‘De Grote Manipulator’ ons sporadisch bezorgde. Tijdens deze workshop werd het me al overduidelijk dat Ingrid met een meer dan gezonde portie fantasie haar leven kruidt.

Vandaag, 8 november, zou ik coronaproof de voorstelling van haar nieuwste boek “Mijn zoon, mijn monster” bijwonen. Maar het mocht niet zijn, enerzijds wegens de tweede lockdown en anderzijds omdat ik zelf momenteel al twee weken in quarantaine thuis zit omdat het virus mij in zijn ziekmakende greep vasthoudt.

Niet enkel voedsel, maar ook leesvoer wordt hier de laatste weken online besteld en aan de voordeur gedropt. En deze week zat daar “Mijn zoon, mijn monster” tussen. Wauw!

Wauw! Omdat het verhaal vernieuwend en origineel is. Wat een kanjer, die Irma! Soms besluipt me de vraag of zij dit effectief allemaal meemaakt, dan wel enkel in haar fantasie. Maar dat heeft geen belang, Irma is een dame van vijfentachtig die heel wat in haar mars heeft, en nog méér in haar onuitputtelijke brein. Zo willen we allemaal oud worden. Alhoewel?

Wauw! Hoe de auteur met een minimum aan woorden een maximum aan informatie geeft. Of minstens de aanzet tot informatie. Maak er maar je eigen verhaal van, of dacht je dat het je allemaal op een presenteerblaadje zou worden voorgeschoteld? Niet bij Ingrid Verhelst, bij haar is lezen niet vrijblijvend, je moet mee fantaseren, je inleven in haar verhaal of liever: dat van Irma.

De kern van dat verhaal: dat je niemand ooit echt kent, ook niet na een leven lang een koppel te zijn geweest. Zelfs je eigen vlees en bloed ken je niet, herken je niet. Je buren ook niet. Ken jij jezelf wel? Of schrik je soms ook als je in de spiegel kijkt? Of als je op de klok kijkt?

Wauw! Voor de stijl. Sprankelend taalgebruik, soms sober (tijdsaanduiding!), soms met volzinnen, maar altijd met de juiste bewoordingen. Rake visuele beschrijvingen. Tegelijk poëtisch en snoeihard. Doorspekt met humor (al dan niet zwart). Een onnavolgbare stijl die je naar de keel of naar het hart grijpt.

Wauw! Voor de illustraties van Herman Van Nazareth die op een sublieme manier aansluiten bij het verhaal van Irma, zeker ook qua kleurenpallet. Mijn excuses aan de schilder, maar bij lectuur van het boek vergat ik compleet dat de schilderijen van zijn hand waren, ik werd zo opgeslorpt door het verhaal dat ik werkelijk geloofde dat Irma deze had gemaakt. Zij is er immers van overtuigd dat ze een tweede, maar vrouwelijke Permeke is en ze heeft me in die overtuiging meegesleept.

De tentoonstelling van Hermans werken (in Huis Huis, Burgstraat 12, Gent) loopt trouwens nog tot eind maart 2021.

Het boek opent met een citaat van Constant Permeke:

‘Ik schilder niet zooals ik zie,
maar zooals ik meen gezien te hebben.’

Dit adagium heeft Irma zich ook eigen gemaakt, zowel in haar schilderijen als in haar ongelooflijk boeiende levensverhaal. Zowel in realiteit als in haar dromen. Maar nooit vrijblijvend.

Ik heb covid-19

De menselijke hersenen zijn geprogrammeerd om te reageren op gevaren die we met onze zintuigen kunnen vaststellen. Een loslopend wild dier, een brandgeur, een gewapende vijand, stormwinden en overstromingen … Wat we niet kunnen zien of rechtstreeks voelen, herkennen onze hersenen dan ook niet meteen als gevaarlijk.

Wellicht daarom dat covid-19 voor velen een ver van hun bed show is – of was. Tot iemand in hun omgeving ziek wordt of aan covid overlijdt. Of tot zij zelf aan den lijve ondervinden hoe ziek je er kan van zijn.

De “helden” (à la Trump) die verklaren dat het maar een griepje is en dat zij er op een paar dagen van genezen waren zouden er beter aan doen daar niet openbaar mee te lopen pronken. Hun cynisme is een doorn in het oog van de vele mensen die wel doodziek zijn, en al dan niet in het ziekenhuis zijn opgenomen. Akkoord, de ene is er zieker van dan de andere, want er spelen veel factoren mee, zoals leeftijd en medische antecedenten. Maar het is in geen geval een lachtertje!

Met corona is het als met de lotto: je moet twee keer geluk hebben. Met de lotto moet je de juiste cijfercombinatie gekozen hebben én je moet geluk hebben dat er een grote pot te verdelen valt over zo weinig mogelijk mensen. Met corona moet je geluk hebben van niet besmet te raken en als dat toch gebeurt, moet je het geluk hebben dat je een milde variant van het virus hebt en geen onderliggende aandoeningen die voor complicaties kunnen zorgen.

Over de lotto heb ik weinig te melden, maar over covid-19 mag ik wel mijn gedacht zeggen, nu ik aan den lijve heb ondervonden wat het virus met je doet.

En ja, ik had geluk! Ik testte positief maar diende niet te worden opgenomen. Waar ik het opliep, is een groot raadsel want we hadden de laatste weken onze contacten al beperkt tot het minimum omdat Ronny een zware verkoudheid had gehad (en ik dacht dat hij toen vatbaarder zou zijn), we zijn niet meer bij mijn ouders op bezoek geweest, de kleinkinderen niet meer gezien. En de weinige contacten die ik toch had, verliepen allemaal coronaproof.

Wie zal het zeggen … Het virus laat zich niet zien en meldt zich niet op voorhand aan!

Ruim een week na de eerste symptomen ben ik nog aan het uitzieken, de extreme vermoeidheid en de druk op mijn longen worden voorlopig niet beter. Wat me vooral bezighoudt is de schrik dat familie en vrienden ook ziek worden. We zitten als het ware gebarricadeerd in ons appartementje. En dat zal nog voor lange tijd zo zijn, want ondertussen werd lockdown 2.0 ingevoerd.

Wat een geluk dat we televisie en sociale media hebben. Alhoewel … wat daar wordt getoond is soms hemeltergend. Mensen die net vóór de lockdown nog in grote massa’s gaan samentroepen in winkelstraten “omdat het nog mag” – mensen die verklaren dat zij geen schrik hebben voor covid-19 en enkel een mondkapje dragen om niet beboet te worden – en in schril contrast daarmee de schrijnende beelden vanuit de ziekenhuizen en WZC’s …

Ik lees over complottheorieën, over ongenoegen met genomen maatregelen of boosheid omdat die maatregelen net niét of niet tijdig werden genomen. Iedereen lijkt te weten wat géén oplossing biedt, maar niemand biedt een pasklaar alternatief. Het is ook een complex gegeven, op elk gebied.

Er moeten nu eenmaal keuzes worden gemaakt om de wereld leefbaar te houden, door wetenschappers, politici en verzorgenden. Maar ik hoop dat deze laatsten nooit voor het dilemma zullen staan te moeten kiezen wie ze nog kunnen behandelen en wie een vogel voor de kat wordt.

De taak van de zorgsector weegt loodzwaar. En covid-19 maakt je ziek, doodziek. Maar nog altijd blijkt een deel van het mensdom het niet begrepen te hebben.

(© Afbeelding van Gerd Altmann via Pixabay)

Mijn Gent – enkele herinneringen

“Mijn” Gent klinkt bezitterig want neen, Gent is natuurlijk niet van mij – al voelt het af en toe wel zo aan want Gent is de stad waar ik geboren ben, waar ik school liep en mijn studententijd doorbracht, waar ik nachten lang uithing en waar ik meerdere stamkroegen had. De stad van “mijn” Gentse Fieste. De stad waar ik nu nog altijd graag naar terugkeer om er een concert, een toneelstuk of een musical bij te wonen. Of om er in de bibliotheek of in één van de vele boekenwinkels te vertoeven.

Mijn eerste herinneringen aan Gent dateren uit mijn prille kindertijd, toen ik een tweetal keer per jaar met mijn ma in Heusden de bus nam naar Gent Dampoort (de bus Gent-Wetteren). Vanaf de Dampoort gingen we te voet via Dampoortstraat, Steendam, Sint-Jacobs, Vrijdagmarkt, de Lange Munte en Groentemarkt naar de Korenmarkt.

Daar begon het shoppen pas. Eerst de Sarma binnen en daarna liepen we door alle grote winkels in de Veldstraat met als laatste de C&A – toen nog op het einde van deze straat. Als we hadden gekocht wat we nodig hadden – en dat was meestal zomerkledij rond Pasen en winterkledij rond Allerheiligen – stapten we het hele eind te voet terug tot de Dampoort, waar we op de bus huiswaarts moesten wachten. In mijn herinnering duurde dat wachten altijd heel lang. Doodmoe was ik daar elke keer van en ik ben ervan overtuigd dat die uitputtende winkelnamiddagen aan de basis liggen van mijn aversie voor shoppen. Ik ga nu nog maar enkel winkelen als ik echt iets nodig heb.

Soms namen we de bus naar Gent om iemand te bezoeken in één van de ziekenhuizen aan de Groenebriel. Toen mijn zus werd geboren (in kliniek De Heilige Familie of “de Briel”, nu Sint Lucas), namen mijn beide grootmoeders me elk afzonderlijk mee om ma en zusje in het moederhuis te gaan bezoeken. Met de ene grootmoeder nam ik daarvoor de gekende bus in Heusden, met de andere de tram in Melle.

Onderweg naar de Briel of naar Sint Vincentius werd me meermaals de Augustijnenkerk aangewezen waar ik destijds was gedoopt – ik werd in de Bond Moyson rechtover de kerk geboren.

Toen ik in 1969 was ingeschreven in Nieuwen Bosch fietste mijn vader met mij naar Standaard Boekhandel op de hoek van het Sint-Baafsplein en de Lange Kruisstraat. De bedoeling was daar mijn boeken voor het eerste jaar middelbaar te kopen en tegelijk mij een beetje vertrouwd te maken met Gent, want ik zou bij volgende bezoeken aan de boekenwinkel mijn plan moeten trekken, met de fiets of te voet. Ontelbaar veel uren heb ik later doorgebracht in deze boekhandel.

 ©  Gentdekuip.com

De eerste twee jaren op Nieuwen Bosch had ik een busabonnement, maar evident was dat niet. Ofwel was ik ‘s morgens al om 7u25 op school (en opvang was er niet voorzien in die tijd), ofwel pas om 8u30 en dat was dan weer te laat … Dus vanaf het derde jaar nam ik mijn toevlucht tot de fiets en de daarop volgende jaren fietste ik bijna dagelijks naar Gent, tot in 1979. Al had ik op het HIVET enige tijd een brommertje, een Flandria, die meer in panne stond dan dat ik er kon mee rijden.

Zaal Van Eyck – nu De Abt in de Lange Kruisstraat ( © beeldbank.stad.gent)

Het hoger onderwijs volgde ik dus aan het HIVET (Hoger instituut voor Vertalers en Tolken) dat eerst in het Klein Seminarie was gevestigd, later in de Brusselsepoortstraat. De studentenvereniging van de tolkenschool organiseerde één donderdagavond per maand een Thé Dansant. De eerste jaren was dat in café “Saint Tropez” bij Eugène op de Brabantdam, later eerst in de zaal van de Roode Hoed (Klein Turkije) en dan in het Middenstandshuis (toen heette het Zaal Van Eyck) in de Lange Kruisstraat, waar in die tijd nog altijd de Standaard Boekhandel was gevestigd op de hoek met het Sint-Baafsplein.

Ik herinner me een kerstvakantie, ik denk in 1977. Overdag moest ik blokken voor de tentamens in januari en elke avond ging ik met vrienden rond het haardvuur zitten in café De Martiko van Walter De Buck. Mooie avonden hebben we daar beleefd.

Na mijn studententijd bleef ik Gent trouw en al woonde ik er nooit, tijdens de Gentse Feesten leek het wel zo: onder de ochtend naar huis om een paar uur te slapen en in de late namiddag terug naar Gent. De stad en haar feesten zag ik jaar na jaar veranderen: van een volksfeest werden de Gentse Feesten een internationaal evenement, grootschaliger en anders maar daarom niet minder leuk.

De stad zelf werd “opgekuist”: er kwamen verkeersvrije straten, de oude gebouwen werden opgesmukt, de grote pleinen werden gezellige ontmoetingsplaatsen, de parkeerplaatsen moesten er plaats ruimen voor terrasjes en fonteinen. De draak op het Belfort werd opgeblonken en Gent ging terug schitteren als weleer. Er kwamen nieuwe projecten zoals de Gentse stadshal (Schaapstal) en het nieuwe gebouw waarin de bibliotheek werd gehuisvest (de Krook) beide opgehemeld door de ene en vergruisd door de andere.

 © De Abt

De zomer van 2020 was er een zonder Gentse Feesten, maar hier en daar werden er alternatieve, coronaveilige alternatieven op kleine schaal georganiseerd. Op een zomeravond hadden we een tafeltje gereserveerd voor een concert à la carte in het kader van de Artistieke Zomer van De Abt. Groot was mijn verbazing toen ik vaststelde dat De Abt is gehuisvest in het gebouw waar wij in onze studententijd onze Thé Dansants hadden, toen het Middenstandshuis nog Van Eyck heette. Vijfenveertig jaar later en pas nu ontdek ik de rijke geschiedenis van dit historisch belangrijke gebouw. (Zie: website van De Abt).

Tijden veranderen, mensen veranderen en ook Gent verandert constant. Maar mijn stad blijft me boeien en verbazen. En Gent laat me ook dromen, dromen van betere tijden … na corona.

Een filosofische kijk op de politiek

Intussen komen mensen om by Alicja Gescinska

My rating: 5 of 5 stars


Alicja Gescinska kwam als zevenjarige met haar ouders via ‘t Klein Kasteeltje vanuit het toen onvrije Polen naar het democratische België. Ze is filosofe en schrijfster. Bijna was ze ook politica.

Toen Guy Verhofstadt haar een verkiesbare derde plek aanbood op de liberale Europese lijst, twijfelde ze eerst omdat ze vreesde voor haar integriteit als intellectueel, als bekroond schrijfster en als mens. Ze twijfelde ook omdat ze niet wist of actief politiek bedrijven wel haar ding zou zijn. Maar uiteindelijk ging ze op het voorstel in. Om de medemens te helpen en hem van dienst te zijn.

Met 33.000 stemmen greep ze naast een zitje. Maar dit was meteen ook de aanleiding om een boek te schrijven over haar kandidatuur, de campagne en de naweeën van de verkiezingen: Intussen komen mensen om. Op die manier kon ze de soms ongefundeerde opvattingen van criticasters allerhande weerleggen.

Want van zodra ze zich in de politiek engageerde, vielen collega-denkers, kennissen, vreemden en sommige vrienden haar aan: dat ze geen goed intellectueel meer zou kunnen zijn als politica, want niet meer onafhankelijk, dat ze te slim voor de politiek zou zijn of besmet zou raken met de politiek als leugenachtige stiel enz. Het gevolg was een tumultueuze periode op professioneel, politiek en persoonlijk gebied.

Toch vond ze het als opiniemaker haar plicht om niet alleen langs de zijlijn te staan, maar zich ook te engageren. Volgens Gescinska mag de intellectueel niet louter waarnemer zijn, maar moet hij of zij een concreet maatschappelijk én politiek engagement aangaan.

Uit dit boek blijkt dat haar eigen politiek engagement voor Europa oprecht was. Ze betreurt dat de media veel te weinig aandacht besteden aan de Europese instellingen en veel te weinig berichten over wat er in het Europese Parlement gaande is. Zonder Europa lukt het niet meer. Europa moet derhalve gered worden van de krachten die het willen vernietigen, in het bijzonder van het rechts-nationalistische populisme. En daarvoor is kennis en inzicht nodig: zo zijn filosofie en politiek onlosmakelijk met elkaar verbonden. Dixit Gescinska.

De auteur pleit voor een intelligente, liberale politiek. Kan je als politicus van waarheid en van menselijkheid je professioneel kompas maken? Kan een intellectueel een politiek mandaat opnemen zonder zijn/haar integriteit te verliezen? Hoe gaan liberalen best om met het wild om zich heen grijpende cynisme van een maatschappij waarin voor intellectuele en zelfs menselijke verfijning geen plaats meer lijkt te zijn? En wat met die vaak aangehaalde tegenstelling tussen de elite en het gewone volk?

Er is meer openheid van geest nodig voor mensen met een andere mening. Ook haar pleidooi voor nuance – wat ze de kroon op de beschaving noemt – is veelzeggend.

Vanwaar de titel van dit boek? ’Intussen komen mensen om’ is een regel uit een gedicht van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska waarin deze stelt dat alles een kwestie is van politiek, zowel de belangrijke als de triviale zaken, zowel het persoonlijke als het algemene. Terwijl mensen alsmaar debatteren en discussiëren, zowel over de grootste staatszaken als over de grootste stompzinnigheden, komen mensen om. Zo gaat het altijd.

Intussen komen mensen om is een must read voor iedereen die met idealen en uit liefde voor de publieke zaak overweegt de stap naar voren te doen om het mandaat van kiezers te winnen – of het nu is in gemeente, provincie, land of Europa.

En voor alle anderen is het een boek dat een inkijk geeft op hoe het politieke forum idealiter zou kunnen worden ingericht.



View all my reviews

Review on Gent Leest: https://www.gentleest.be/leestips/intussen-komen-mensen-om-over-politieke-betrokkenheid-een-filosofische-kijk-op-de-politiek

De kapper die geheim agent werd

Het complot van Laken by Johan Op de Beeck

My rating: 4 of 5 stars


In de historische roman ‘Het complot van Laken’ brengt ex-nieuwsanker en journalist Johan Op de Beeck de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog opnieuw tot leven en daarin vooral de controversiële rol van koning Leopold III.

Inspiratie voor dit boek haalde de auteur bij de kapper van zijn moeder, ex-geheim agent Jef van Hooff. Die vertelde hem ruim 45 jaar geleden dat hij een rol had gespeeld in een complot rondom de Belgische koning Leopold III. Meer dan vier decennia later schreef Op de Beeck dit verhaal neer in een historisch epos vol spanning en non-fictie. Ook andere historische weetjes worden in dit werk aangehaald, al dan niet geromantiseerd.

Zo krijg je als lezer een inkijkje in het leven van koning Leopold, volg je Van Hooff in achtervolgingen in Mechelen, leef je mee met de Britse oorlogspolitiek en verneem je hoe de Duitsers de geallieerde spionnen soms te vlug af waren. Alles is op waar gebeurde feiten gebaseerd, maar leest toch als een spannend boek.

Hitler heeft België bezet. Leopold III wil in het land blijven en flirt openlijk met de nazi’s (en wat minder openlijk met zijn minnares Lilian Baels). Dat zint de Belgische regering in ballingschap in Londen niet en kapper Van Hooff al evenmin. Deze laatste vlucht via omwegen naar Engeland en wordt daar gevormd tot geheim agent. Na deze opleiding wordt hij samen met een vrouwelijke collega geparachuteerd in België om te proberen Leopold tot inzicht te brengen dat kiezen voor het nazisme niet de juiste keuze is. Maar al vanaf het begin van de missie lopen de dingen anders dan gepland.

Deze spionageroman toont de verdeeldheid tussen de Belgische, Britse en Amerikaanse inlichtingendiensten. Er wordt een ontluisterend beeld geschetst van Leopold III en zijn entourage, die er blijkbaar toch wel eigenaardige ideeën over het begrip democratie op nahielden.

Het duurt in het begin even voor je mee bent met de toch complexe context en de vele personages. Ik realiseerde me bij het lezen van dit boek ook dat ik vooraf eigenlijk niets afwist van de koningskwestie, in de geschiedenislessen werd dat altijd heel snel afgehandeld. Althans, die indruk heb ik toch!

Jef Van Hooff werd na de oorlog ook doodgezwegen, dit wijst er wellicht op dat hij op de hoogte was van zaken die haaks stonden op de officiële geschiedschrijving.

Op de Beeck hanteert een schitterende schrijfstijl. Hij slaagt erin de lezer door zijn uitgebreide beschrijvingen het verhaal in te trekken. Soms vroeg ik me af of dit alles wel echt gebeurd kon zijn? Maar op het einde verklaart de auteur netjes wat waarheid en verzinsel is in een uitgebreide historische duiding.

Op de Beeck lijkt met het boek vooral een hulde te willen brengen aan de vele moedige mensen die hebben gestreden voor onze vrijheid, waarbij ze vaak hun eigen leven in de waagschaal stelden.

Een ware aanrader voor de liefhebbers van dit genre!


Review op Gent Leest: https://www.gentleest.be/leestips/het-complot-van-laken-historische-thriller-de-kapper-die-spion-werd

View all my reviews

Het leven na corona

Er werd mij gevraagd een tekstje te schrijven over hoe ik het leven zie na corona. Niemand kan voorspellen hoe de toekomst er zal uitzien, al zeker niet na de coronacrisis waarvan de gevolgen zich volgens mij nog heel lang zullen laten voelen. Ik heb me gewaagd aan een hoopvolle én aan een negatieve voorspelling …

De post-coronawereld waar ik van droom:

De lockdown deed vele mensen nadenken over de écht waardevolle dingen in hun leven en … dat waren geen dingen, maar mensen en tijd, al dan niet in combinatie met elkaar. Na corona groeit dit besef verder en neemt iedereen voldoende tijd voor zichzelf, voor familie en vrienden. Ze proppen hun agenda niet meer vol met vrijetijdsactiviteiten, waardoor ze constant van hot naar her moesten rennen en uiteindelijk voor veel dingen (en mensen!) geen tijd meer hadden. Ze wisselen nu de voortrazende kloktijd regelmatig af met periodes van innerlijke tijdsbeleving: ze beseffen dat “niets doen” óók iets doen is en dat dit zelfs de creativiteit aanscherpt.

Velen hebben de natuur herontdekt en gaan nog altijd regelmatig slenteren langs geurige veldwegen, wandelen door stille bossen, fietsen langs slingerende waterlopen. Doordat de industrie quasi stilviel, leefde de natuur een heel klein beetje op. We konden ervaren dat we de auto eigenlijk best wel eens kunnen missen, we kregen er zelfs wat frissere lucht voor in de plaats. Dit besef zette de beleidsmensen ertoe aan om voor de bescherming van het klimaat strenge maatregelen te treffen die vergelijkbaar zijn met die tijdens corona. Uiteraard moeten daarvoor offers worden gebracht, maar iedereen is zich bewust van de noodzaak, niet enkel voor zichzelf, maar ook en vooral voor de volgende generaties.

Bovendien is het beleid nu in niets te vergelijken met dat van voor en tijdens corona. In elk land werden de politieke structuren herbekeken en vereenvoudigd. Niet langer verschillende ministers op verschillende niveaus die allemaal voor hetzelfde bevoegd waren, maar een duidelijke verdeling van de verantwoordelijkheden. Beleidsmensen zijn nu ervaren vakmensen op het gebied van hun bevoegdheden en ze worden op basis daarvan verkozen. Partijkaarten en politieke kleur zijn van ondergeschikt belang, partijvoorzitters houden niet langer de politieke touwtjes in handen. De nadruk ligt op samenwerking en communicatie, op elk niveau worden op regelmatige basis controles en evaluaties ingepland. De beste stuurlui staan niet langer aan wal!

Er werd een duidelijke internationale wetgeving opgesteld voor verslaggeving en sociale media. Mensen kunnen niet langer anoniem hun zouteloze mening spuien, enkel onderbouwde meningen die met respect worden geuit, worden toegelaten. Deze mogen best negatief zijn of een aanklacht bevatten, maar fake news en respectloze beschuldigingen op basis van vooroordelen worden geweerd. Racisme en racistische uitspraken worden bestraft.

Het nieuwe beleid heeft ook een oplossing uitgewerkt voor de mensen die door corona, hetzij financieel, hetzij sociaal in de problemen zijn geraakt. Er is nu een gelijk basisloon voor iedereen, zonder uitzonderingen. Wie werkt krijgt daar bovenop een bonus die afhankelijk is van enkele factoren zoals opleiding, verantwoordelijkheid, noodzaak om flexibel te zijn enz. Ook het belastingsysteem werd herzien en er bestaan voortaan geen belastingparadijzen meer.

De wereld waar ik voor vrees:

Na de lockdown hernemen de meeste mensen hun leventje van vóór corona, met veel stress, jachtig nastreven van materieel welzijn en weinig oog voor het sociaal welzijn van de medemensen die het met minder moeten doen. Ieder voor zich wordt het motto van de westerse maatschappij.

Iedereen blijft consumeren en vervuilen, het wordt zelfs erger dan ooit. Klimaatactivisten worden beschouwd als onheilsprofeten, zelfs door de beleidsmensen voor wie postjes, macht en financiële belangen meer tellen dan de natuurrampen die ze voor hun nageslacht gaan achterlaten. Egoïsme ten top: après moi le déluge … en neem dit laatste maar gerust letterlijk.

Een deel van de mensheid ligt wakker en maakt zich zorgen om moeder aarde. Ze voelen zich machteloos omdat ze niets fundamenteels kunnen veranderen, ze vinden geen gehoor bij het beleid. Af en toe halen ze het nieuws, maar hun optreden wordt altijd in een slecht daglicht geplaatst. De media hebben het immers nog altijd voor het zeggen, of ze nu de waarheid geweld aandoen of niet.

Op het politieke vlak dreigen er constant oorlogen. Door gebrek aan communicatie en geïnspireerd door subjectieve berichtgeving, liggen staatshoofden voortdurend in de clinch. Bewapening wordt steeds belangrijker. Ze dreigen elkaars grondgebied in te nemen of te vernietigen. En daarbij vergeten ze dat de aarde geen hulp meer nodig heeft om ten onder te gaan. De natuur zal geen genade kennen.

Druk, druk, druk. Geen tijd want we moeten presteren om “er” te komen.

Waar willen we dan komen?

We blijven het antwoord schuldig.

Dit zijn twee extremen. Het onbereikbaar positieve en het te vrezen negatieve. Ik vermoed dat de toekomst ergens tussenin zal liggen, maar als het even kan, wens ik dat die toekomst zal lijken op deze waar ik zo hard mijn hoop op heb gevestigd.

Zoals het klokje thuis tikt

Mijn grootouders hadden drie regulateurs. Ik geloof dat mijn grootvader ze allemaal had gewonnen met het duiven melken, zijn duiven vlogen regelmatig in de prijzen. En toen bompa en bomma overleden waren, kregen mijn grootouders ook nog hun regulateur erbij. Deze was groter, steviger en sloeg elk kwartier, een Westminster dus.

Omdat niemand van de familie geïnteresseerd was in deze ouderwetse klokken, erfde ik er twee. Wat er met de andere twee is gebeurd, dat weet ik niet, ik vermoed dat ze op het containerpark zijn beland. Ik kon ze niet alle vier nemen, want Ronny had er ook al een geërfd van zijn ouders, maar deze is een tiental jaar geleden finaal stuk gegaan.

Toen we naar ons appartementje verhuisden, was daar geen plaats voor twee regulateurs. Maar van de Westminster kon ik geen afscheid nemen. Integendeel, ik bracht hem naar een klokkenmaker voor volledig nazicht en herstelling.

Door de coronamaatregelen duurde het twee maanden langer vooraleer ik mijn Westminster kon ophalen. Vorige week was het eindelijk zover: de klokkenwinkel in Zomergem mocht weer zijn deuren openen. Wat was de regulateur van mijn overgrootouders mooi geworden! Wijzerplaat, slinger en ruitjes mooi opgeblonken en nog belangrijker: de klok werkt nu perfect en slaat terug elk kwartier.

Het voelde aan als een plechtig moment toen we de Westminster in onze woonkamer aan de muur konden hangen. Ik kreeg er zowaar een krop van in de keel.

We hebben aan onze buren gevraagd of het klokgelui om het kwartier (zowel overdag als ‘s nachts) hen niet stoort. Gelukkig hadden ze het zelfs nog niet gehoord!

Als ik het aan mensen vertel, is hun reactie dat zo’n ding te veel lawaai maakt, maar voor ons is dat niet zo. Het brengt hier zelfs rust in huis. Er zijn er die denken dat ik zo blij ben omdat die klok veel geld waard is, maar ook dat is niet waar, ze heeft enkel nog emotionele waarde. En voor mij is die torenhoog.

Onlangs las ik “Stil de Tijd” van Joke Hermsen. In dit boek pleit de auteur voor onthaasting en voor een langzamere toekomst. Ze maakt het onderscheid tussen de voortrazende kloktijd en onze innerlijke tijdsbeleving. De Grieken noemden deze respectievelijk Kronos en Kairos. De eerste staat voor de kloktijd, de reële tijdsmeting. Kairos staat voor de tijd zoals wij hem ervaren : de tijd die vliegt als je met iets leuks bezig bent, en kruipt als je moet wachten op iets.

Tot net voor corona leefden we in onze maatschappij bijna uitsluitend op het ritme van Kronos: alle uren van de dag mooi ingepland, zelfs de vrije tijd werd volgepropt met activiteiten en het resultaat: iedereen had tijd te kort – druk, druk, druk! We leken wel bang om even niets te doen, elk vrij moment in onze agenda moest optimaal worden benut.

Nochtans is bewezen dat het loont om af en toe verveling of nietsdoen toe te laten. Hermsen zegt hierover: “Vandaar dat een idee of oplossing je vaak pas te binnen schiet als je onder de douche staat, even op de bank gaat liggen of een wandeling maakt, kortom als je niet doelgericht en actief met iets bezig bent en je overgeeft aan de verveling.”

Als corona ons iets geleerd heeft, is het dat we ook anders met tijd kunnen (en moeten) omgaan. Ik hoor veel mensen zeggen dat ze nu hun tijd anders ervaren, dat ze zelfs minder tijdsbesef hebben: ze bedoelen geen besef van de Kronos tijd.

Uiteraard is Kronos tijd belangrijk in onze huidige samenleving. Hoe zouden we anders met elkaar afspraken kunnen maken, school- en werktijden regelen enz. De kunst is een gezonde balans te vinden tussen Kronos en Kairos. En ik hoop dat we daar na corona allemaal in slagen, als mens én als samenleving.

Sedert we in Massemen wonen, heb ik onbewust geprobeerd dit evenwicht te vinden. Loskomen van de kloktijd en open staan voor een andere beleving van tijd. Dat laatste zou een voorwaarde voor creativiteit zijn.

En tegelijk zit ik hier nu met een Westminster die puur Kronos is en die zich elk kwartier laat horen. Alhoewel net dit me laat beseffen hoe relatief het begrip “tijd” is. Soms denk ik: is er alweer een kwartier verstreken? Op een ander moment schrik ik dat het al zo laat is en heb ik het gevoel dat ik het slagwerk van de laatste paar uur niet eens heb gehoord. Ik ben op zo’n moment zelfs al eens gaan kijken of de klok niet was stilgevallen.

‘s Morgens vroeg hoor ik de vogels door het open raam kwetteren en binnen is er het zachte tikken van onze klok, als de hartslag van het verleden. De herinnering aan mijn (over)grootouders. En dan weet ik dat het goed is. Dit is thuis, waar het klokje tikt als nergens anders.